
Alles wat verschijnt, verschijnt samen. Niet als losse delen naast elkaar, noch als een keten na elkaar, maar in één enkel weefsel van ontstaan dat zich spontaan ontvouwt.
Dit ontstaan kent geen kern, geen eigenaar, geen zelfstandig punt van houvast. Wat wij ‘dit’ noemen, kan alleen verschijnen omdat ‘dat’ mee verschijnt, onlosmakelijk verweven in dezelfde beweging.
Zo wordt afhankelijk ontstaan geen keten die bindt, maar een open ruimte waarin niets op zichzelf hoeft te staan. Er is geen afzonderlijk dragen, geen geïsoleerde last.
Wanneer dit helder wordt gezien, valt elke gedachte van beperking stil. Niet omdat alles oplost, maar omdat niets geïsoleerd hoeft te dragen, niets separaat moet bestaan.
In deze wederkerigheid is geen centrum en geen rand. Alleen verschijnen, samen gedragen, samen losgelaten.
