GEBOREN EN ONGEBOREN—TWEE MANIEREN VAN ZIEN

Wat wij gewoonlijk “de wereld” noemen, verschijnt als iets dat voortdurend ontstaat en vergaat. Er is ervaring, beweging, verandering. Dit is het geborene (jāta; id.): dat wat verschijnt binnen afhankelijk ontstaan (paṭicca-samuppāda; pratītya-samutpāda).Vanuit dit perspectief is er worden, verdwijnen, zoeken en verliezen. Dit is het perspectief van samsāra (id.).

Maar de Boeddha wijst ook op iets anders. Niet als een andere plaats, niet als een andere wereld, maar als een andere wijze van kennen (ñāṇa; jñāna). Hij spreekt over het Ongeborene (ajāta; id.): dat wat niet ontstaat en niet vergaat, niet gemaakt (akata; akṛta), niet geconditioneerd (asaṅkhata; asaṃskṛta). Dit is het perspectief van nibbāna.

Deze twee zijn geen tegengestelde werkelijkheden. Ze beschrijven dezelfde ervaring, maar gezien vanuit een verschillend kader. Wanneer ervaring wordt benaderd vanuit onwetendheid (avijjā; avidyā) en gehechtheid (upādāna; id.), verschijnt zij als het geborene. Wanneer diezelfde gehechtheid volledig is losgelaten (paṭinissagga; pratiniḥsarga), wordt niets meer als “geboren” gezien — en openbaart zich het Ongeborene.

Het verschil ligt niet in wat er is, maar in hoe het wordt gekend.

Bevrijding (vimutti; vimukti) is dan geen verplaatsing, geen ontsnapping naar elders. Het is het wegvallen van het perspectief van geboorte. Wat overblijft, is wat altijd al niet-geboren was.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.