ZELFS DE DHAMMA EN DE BOEDDHA LOSLATEN

Wanneer verlangen (taṇhā; tṛṣṇā) stilvalt, ontstaat er geen leegte die iets mist, maar een openheid die niets meer hoeft vast te houden. Het grijpen (upādāna; id.) verliest zijn grond, en wat overblijft is het eenvoudige, directe zien van wat is—vergankelijk (anicca; anitya), onbevredigend (dukkha; duḥkha) en niet-zelf (anattā; anātman)—en het inzicht hoe verlangen deze onbevredigdheid telkens opnieuw doet ontstaan.

In dat directe zien wordt niets verworpen en niets gezocht. Er is geen beweging meer naar verlangen, maar ook geen afkeer ten opzichte van wat verschijnt. Het veld van ervaring ontvouwt zich vrij, zonder dat er nog een centrum is dat bezit of controleert. Wat voorheen als ‘ik’, ‘mij’ en ‘mijn’ werd ervaren, toont zich als een spel van voorwaarden (paṭicca-samuppāda; pratītya-samutpāda), zonder eigenaar, zonder ‘ik’.

Zelfs de Dhamma wordt hier niet vastgehouden. Niet omdat zij haar waarde verliest, maar omdat ook het subtielste verlangen om zich te hechten een beweging van ‘worden’ (bhava; id.) inhoudt. Waar ‘worden’ nog aanwezig is, blijft de kiem van onrust aanwezig.

Ook de Boeddha wordt niet tot object van gehechtheid gemaakt. Niet uit gebrek aan eerbied, maar vanuit het inzicht dat elke vorm van vastklampen—hoe verfijnd ook—geworteld blijft in verlangen en zo een sluier legt over het directe zien.

Wat overblijft is een stille helderheid waarin niets meer gezocht wordt, niets meer verworpen. Geen steunpunt, geen toevlucht buiten dit onmiddellijke zien. 

Hier ontvouwt het Ongeconditioneerde (asaṅkhata; asaṃskṛta) zich niet als iets dat bereikt wordt, maar als datgene wat zichtbaar wordt wanneer verlangen volledig tot rust gekomen is.

Niets wordt nog vastgehouden—niet de wereld, niet de weg, niet wat de weg wijst.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.