UPEKKHĀ ALS ONTWAKINGSFACTOR

Binnen de boeddhistische beoefening wordt upekkhā (upekṣā) vaak vertaald als gelijkmoedigheid, evenwichtigheid of innerlijke balans. Toch verwijzen deze woorden slechts gedeeltelijk naar wat werkelijk bedoeld wordt. Want upekkhā is geen koude afstandelijkheid, geen onverschilligheid en evenmin een vorm van emotionele onderdrukking. Het is eerder de stille helderheid van een geest die niet langer voortdurend heen en weer geslingerd wordt door aantrekking en afkeer.

Veel yogi’s leren upekkhā aanvankelijk kennen binnen de beoefening van de jhāna’s (dhyāna’s). Vooral in de derde en vierde jhānaontvouwt zich een diepe gelijkmoedigheid waarin de geest steeds stiller, evenwichtiger en transparanter wordt. De grove bewegingen van verlangen en weerstand verliezen er hun kracht. De innerlijke wereld komt tot rust. Maar hoewel deze ervaring van groot belang is, blijft zij in wezen verbonden met de verfijning van concentratie (samādhi; id.).

Binnen de Zeven Ontwakingsfactoren (satta bojjhaṅgā; sapta bodhyaṅgāḥ) krijgt upekkhā echter een nog diepere betekenis. Daar verschijnt zij niet enkel als meditatieve verstilling, maar als een bevrijdende wijsheid die ontstaat wanneer de werkelijkheid rechtstreeks gezien wordt zoals zij is.

De zeven ontwakingsfactoren vormen samen een natuurlijke ontvouwing van het pad naar bevrijding: opmerkzaamheid (sati; smṛti), onderzoek van de Dhamma (dhammavicaya; dharma-vicaya), energie (viriya; vīrya), vreugde (pīti; prīti), verstilling (passaddhi; praśrabdhi), concentratie (samādhi; id.) en uiteindelijk gelijkmoedigheid (upekkhā; upekṣā). Deze factoren zijn geen dogmatisch systeem dat mechanisch ontwikkeld moet worden. Zij beschrijven eerder hoe de geest zich spontaan begint te zuiveren wanneer opmerkzaamheid helder en onafgebroken aanwezig is (yoniso manasikāra; yoniśo manaskāra).

Opmerkelijk is dat upekkhā als laatste factor verschijnt. Dat is niet toevallig. Ware gelijkmoedigheid kan immers niet geforceerd worden. Zij ontstaat pas wanneer de geest diep begint te begrijpen dat alle verschijnselen vergankelijk (anicca; anitya), onbevredigend (dukkha; duḥkha) en niet-zelf (anattā; anātman) zijn.

Zolang men nog vastgrijpt aan ervaringen, ideeën, emoties of identiteiten, blijft de geest onvermijdelijk reageren met hoop, angst, verlangen of weerstand. Maar wanneer inzicht zich verdiept, begint iets fundamenteels te verschuiven. Men ziet dat alles voortdurend ontstaat en weer verdwijnt volgens voorwaarden en oorzaken. Gevoelens komen en gaan. Gedachten verschijnen en lossen weer op. Zelfs de meest intense ervaringen blijken uiteindelijk vluchtig en ongrijpbaar.

Uit dat inzicht groeit langzaam een natuurlijke gelijkmoedigheid.

Niet omdat men zich afsluit van het leven, maar juist omdat men het leven dieper begint te begrijpen.

Upekkhā is daarom geen emotionele kilte. Integendeel. Vaak ontstaat er juist een grotere openheid, zachtheid en gevoeligheid. Maar er is minder gehechtheid aan wat ervaren wordt. Minder verzet tegen verandering. Minder identificatie met wat zich aandient.

De gevorderde yogi leert de stroom van ontstaan en vergaan waar te nemen zonder voortdurend tussen aantrekken en afstoten heen en weer bewogen te worden.

Binnen de vipassanā-beoefening (vipaśyanā) krijgt deze gelijkmoedigheid een bijzonder belangrijke plaats. Naarmate inzicht verdiept, ontstaat er soms een fase waarin verschijnselen bijna volledig neutraal en transparant beginnen te verschijnen. Er wordt ‘gezien’ zonder onmiddellijk oordeel, zonder voortdurend mentaal commentaar. De geest hoeft niet langer alles vast te houden of te controleren. Dit wordt in de vipassana-inzichten beschreven als gelijkmoedigheid tegenover alle geconditioneerde verschijnselen (saṅkhārupekkhā-ñāṇa(saṃskāropekṣā-jñāna). 

Daar ontvouwt upekkhā zich niet als een techniek, maar als de natuurlijke vrucht van inzicht.

Men begint te beseffen dat innerlijke vrede niet ontstaat door de wereld naar eigen verlangens te vormen, maar door het voortdurend innerlijk verzet tegen alles wat vergankelijk is te stoppen.

Juist daarom is upekkhā binnen de ontwakingsfactoren zo essentieel. Zij vertegenwoordigt een geest die steeds minder gevangen zit in conditionering. Een geest die niet langer voortdurend zichzelf bevestigt in voorkeuren, meningen en identificaties. Niet omdat de persoonlijkheid vernietigd wordt, maar omdat de illusie van controle langzaam haar vanzelfsprekendheid verliest.

In die verstilling verschijnt een andere vorm van vrijheid. Geen dramatische ervaring. Geen extase. Geen mystieke overwinning.

Eerder een diepe eenvoud waarin de geest niet langer voortdurend strijd voert met het leven zoals het zich ontvouwt.

Dit vormt de ware schoonheid van upekkhā: dat zij niets toevoegt aan de werkelijkheid, maar juist het voortdurende innerlijke grijpen langzaam laat uitdoven. En precies daarin opent zich de ruimte waarin bevrijding mogelijk wordt. Upekkhā is een poort naar bevrijding.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.