
De Boeddha wees niet naar iets dat moet bereikt worden, maar naar iets dat hoeft doorzien te worden. Alles wat ontstaat, ontstaat door voorwaarden. En wat door voorwaarden ontstaat, komt ook weer tot een einde.
Wanneer verlangen (taṇhā; tṛṣṇā) ontstaat, ontstaat hechting (upādāna; id.). Wanneer hechting ontstaat, ontstaat worden (bhava; id.). En waar worden is, zijn geboorte (jāti; id.)en dood (maraṇa; id.).
Maar waar verlangen ophoudt, komt deze hele beweging tot rust. Niet omdat iets wordt vernietigd, maar omdat niets nog wordt vastgehouden.
Dit uitdoven is nibbāna (nirvāṇa): niet iets dat wordt gemaakt, maar het ophouden van het geconditioneerde (saṅkhata; saṃskṛta).
Daarom is de beoefening van sīla (śīla), samādhi (id.) en paññā (prajñā) geen weg naar iets nieuws. Beoefening laat dit uitdoven.
De Boeddha noemde dit het Ongeborene (ajāta; id.), het Ongeconditioneerde (asaṅkhata; asaṃskṛta).
