
Ontwaken is geen verwerven en geen bereiken. Het is een stille herkenning van wat altijd al gaande was: het ontstaan en vergaan van verschijnselen. Niet als idee, maar als direct zien.
Niet erbuiten willen staan. Niet ertegenin leven. Niet verdwaald raken in wat verschijnt en weer verdwijnt.
Wat geboorte wordt genoemd en wat dood wordt genoemd, zijn geen tegenpolen. Ze zijn uitdrukkingen van één en hetzelfde proces: ontstaan wanneer voorwaarden aanwezig zijn, verdwijnen wanneer voorwaarden wegvallen. Zonder begin dat gevonden kan worden. Zonder einde dat vastgehouden kan worden. Alleen dit: ontstaan en vergaan.
Dit gebeurt omdat dat gebeurt. Wanneer dit er is, is dat er. Wanneer dit ophoudt, houdt dat op. Dit is idappaccayatā (idampratyayatā): de wetmatigheid van voorwaardelijkheid. Dit is afhankelijk ontstaan: paṭicca-samuppāda (pratītya-samutpāda). Zo ontvouwt het leven zich, moment na moment.
Dit zien is Dhamma: niet als overtuiging, maar als rechtstreeks kennen en zien. Yathā-bhūta (id.).
Wat ontstaat, vergaat. Wat geboren wordt, sterft. Wat verschijnt, verdwijnt. Hierin ligt geen zekerheid. Hierin ligt geen blijvende kern. Hierin ligt dukkha (duḥkha).
De Boeddha wees ook op het Ongeborene (ajāta; id.), het niet-gewordene (abhūta; id.), het niet-geschapene (akata; id.), het Ongeconditioneerde (asaṅkhata; asaṃskṛta): nibbāna (nirvāṇa), het einde van worden. Niet door iets toe te voegen. Niet door iets te worden. Maar door het volledig doorzien van ontstaan en vergaan, waardoor worden tot rust komt.
Waar geen worden meer is, is geen geboorte meer. Waar geen geboorte meer is, is geen dood meer.
Alleen vrede.
