
Upekkhā is de stille helderheid die zich ontvouwt wanneer de dhammanuvatti niet langer reageert op gewaarwordingen of gevoelens (vedanā; id.): geen saṅkhārā (saṃskārāḥ) van verlangen bij aangename ervaringen, geen saṅkhārā van afkeer bij onaangename ervaringen.
Wat zich aandient, wordt gezien—maar niet vastgegrepen, ook niet afgestoten.
De Boeddha in de Cūḷavedalla Sutta verwoordt het, vrij vertaald, als volgt:
❛ Wanneer een aangename gewaarwording ontstaat, wordt de onderliggende neiging tot verlangen losgelaten.
Wanneer een onaangename gewaarwording ontstaat, wordt de onderliggende neiging tot afkeer losgelaten.
Wanneer een noch aangename, noch onaangename gewaarwording ontstaat, wordt de onderliggende neiging tot onwetendheid losgelaten. ❜
Gelijkmoedigheid rust niet op onverschilligheid, maar op inzicht—op het directe zien dat alles wat ontstaat ook weer vergaat (anicca; anitya).
Concreet: alles wat verschijnt, verdwijnt. Wat blijft er dan werkelijk over om aan vast te houden?
In dit zien verliest ervaring haar dwingende karakter. Aangenaam en onaangenaam blijven wat ze zijn, maar de geest hoeft er niet langer in verstrikt te raken.
Het is zoals het is. Tathatā. De zo-heid van de dingen—yathā-bhūta (id.)—openbaart zich wanneer de geest ophoudt zich te mengen.
Wat wij er, gedreven door onwetendheid (avijjā; avidyā), met onze saṅkhārā van verlangen en afkeer van maken, raakt deze werkelijkheid niet. Het vertroebelt enkel het zien ervan.
