
Het inzicht dat er geen blijvende, onveranderlijke ziel te vinden is, wordt door alle boeddhistische tradities gedragen.
Niet als een geloof, maar als iets dat direct gezien kan worden.
Binnen het theravāda wordt dit zichtbaar gemaakt door het nauwkeurig onderzoeken van de vijf khandha’s (skandha’s), waarin niets gevonden wordt dat als “zelf” kan standhouden.
Binnen het mahāyāna wordt dit inzicht verder geopend in het besef van leegte (suññatā; śūnyatā): niet alleen het ‘zelf’, maar alle verschijnselen zijn vrij van een vaste kern.
Binnen het Vajrayāna wordt deze leegte niet alleen begrepen, maar direct herkend als de aard van de geest—helder, open en zonder centrum.
En toch wijzen deze benaderingen niet naar iets anders.
Zij wijzen telkens opnieuw naar hetzelfde: dat wat verschijnt, verschijnt zonder eigenaar. Wanneer dit wordt gezien, valt elke zoektocht naar een blijvende essentie weg. Niet omdat ze ontkend wordt, maar omdat ze nergens gevonden wordt.
