BEWUSTZIJN HEEFT GEEN PLAATS

Soms lijkt meditatie op iets heel eenvoudigs: zitten, ademen, voelen. En toch kan in die eenvoud iets oplichten wat ons gewone denken overstijgt. Niet als een groot inzicht, maar als een zachte verschuiving. Alsof je even merkt dat het leven niet ’tegenover’ je staat, maar dat het zich in jou ontvouwt—of beter: in dat wat waarneemt.

In het begin voelt aandacht vaak alsof ze zich ergens concentreert. Alsof jij ergens zit, in je hoofd of in je borst, en van daaruit kijkt naar wat er gebeurt. Er is de adem, er zijn geluiden, er is het lichaam—en er is een soort middelpunt dat dit alles observeert. Dat is een natuurlijke ervaring. Ze hoort bij de eerste verfijning van sati (smṛti):het vermogen om aanwezig te zijn.

Maar wanneer je langer blijft, stil en eenvoudig, gebeurt er iets merkwaardigs. Dan merk je dat dat middelpunt zelf niet zo vast is als je dacht. Het verplaatst zich. Het wordt vager. En soms valt het zelfs weg. Wat dan overblijft is vooral: openheid. Er is horen, maar geen harde grens tussen binnen en buiten. Er is voelen, maar het gevoel hoeft niet ‘van iemand’ te zijn. Gedachten komen en gaan, maar ze moeten nergens landen.

Dan wordt meditatie een vorm van zien. Niet het zien van iets bijzonders, maar het zien van iets heel gewoons dat je altijd over het hoofd zag: dat gewaarzijn zelf geen plaats nodig heeft. Het zit niet in de adem. Niet in het lichaam. Niet in het hoofd. Het is eerder de ruimte waarin alles verschijnt.

In die ruimte komt het ‘ik’ zachter te liggen. Je hoeft het niet weg te duwen. Je hoeft het niet te verbeteren. Je ziet simpelweg dat het vaak een gedachte is, een reflex van toe-eigening. In de taal van de Dhamma: anattā (anātman) wordt niet iets om te geloven, maar iets om zacht te herkennen. Wat komt en gaat kan je niet vasthouden als zelf.

En op sommige momenten lijkt het alsof je overal aanwezig bent. Niet als persoon, niet als idee, maar als grenzeloze ontvankelijkheid. Alsof bewustzijn niet langer een punt is, maar een open veld zonder randen. Niet hier, niet daar — en daarom vrij.

Misschien is dat de stille kern van meditatie: dat je niet kleiner wordt, maar eenvoudiger. Minder opgesloten. Minder in jezelf gekeerd. En als vanzelf wordt de geest zachter, vriendelijker, minder dwingend.

Stilte. Eenvoud. Dienstbaarheid. Niet als ideaal, maar als iets wat vanzelf groeit wanneer je niet langer gevangen zit in het verhaal van het ‘ik’.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.