
Een spirituele vriend die ik erg waardeer, stelde me vandaag een aantal vragen over het begrip ‘leegte’: wordt het begrip ‘suññatā’gebruikt in de Pāli-canon? Zo ja, in welke betekenis? Kan je het inhoudelijk onderscheid duiden tussen de begrippen ‘suññatā’ en ‘śūnyatā’ in respectievelijk het theravāda en het mahāyāna?
Wanneer in de Pāli-canon gesproken wordt over suññatā, wordt geen abstracte theorie bedoeld, maar een directe wijze van zien. Het is de stille herkenning dat wat verschijnt, leeg is van een zelf (anattā; anātman) en van alles wat als ‘dit is van mij’ wordt beschouwd (zoals verwoord in de Anattalakkhaṇa Sutta).
In dat directe zien verschuift iets fundamenteels. Niet de wereld verdwijnt, maar de toeëigening ervan. Wat eerst als ‘ik’ en ‘mijn’ werd ervaren, toont zich als een stroom van verschijnselen zonder eigenaar. Hier wordt anattā (anātman) niet begrepen als een concept, maar als een direct inzicht: nergens in de ervaring is een blijvende kern te vinden die als ‘zelf’ kan worden aangeduid. Er is zien, horen, ervaren — maar nergens wordt een blijvende eigenaar gevonden. Er is ervaring, maar geen kern die zich ermee identificeert.
Deze leegte is geen ontkenning van wat is. Zij ontneemt niets aan de ervaring, maar bevrijdt haar van ballast. Zij onthult dat wat verschijnt, niet gedragen wordt door een blijvende essentie, maar zich ontvouwt in afhankelijkheid van oorzaken en voorwaarden (paṭicca-samuppāda; pratītya-samutpāda).
In die zin is suññatā onlosmakelijk verbonden met anattā: wat leeg is van zelf, kan niet worden vastgehouden als ‘dit ben ik’, ‘dit is van mij’ of ‘dit is mijn zelf’.
Wanneer later in het mahāyāna de term śūnyatā wordt gebruikt, krijgt deze leegte een verdere uitdieping. Wat in de vroege leer vooral wordt benaderd vanuit leegte van zelf, wordt hier herkend als leeg van elk inherent bestaan (sabhāva; svabhāva). Niet alleen het ‘ik’, maar alle verschijnselen blijken zonder zelfstandige grond.
In het werk van Nāgārjuna wordt dit inzicht tot zijn uiterste consequentie doorgevoerd. Hij toont dat wat afhankelijk ontstaat, noodzakelijk leeg is van een eigen aard. Niet omdat het niet bestaat, maar omdat het nooit op zichzelf staat. Alles wat verschijnt, verschijnt slechts in relatie, in wederzijdse afhankelijkheid, zonder een vaste kern die het draagt.
Deze verschuiving is geen breuk, maar een verdieping.
Wat eerst bevrijdt van identificatie, wordt nu doorzien tot in de structuur van alles wat verschijnt. Vorm en leegte worden niet langer als tegengesteld ervaren. Zoals verwoord in de Prajñāpāramitā Sūtra:vorm is leegte, leegte is vorm.
Tegelijk waarschuwt Nāgārjuna impliciet voor elk misverstaan. Leegte is geen standpunt dat men kan innemen, geen laatste waarheid die men kan vastgrijpen. Wie leegte tot een opvatting maakt, verliest precies datgene wat zij onthult. Leegte bevrijdt slechts wanneer ook zijzelf niet wordt vastgehouden.
Toch blijft de essentie onveranderd stil. Leegte betekent hier niet dat er niets is, maar dat niets op zichzelf bestaat. Wat verschijnt, verschijnt in wederzijdse afhankelijkheid, zonder kern, zonder centrum.
In de directe ervaring valt zelfs dat onderscheid weg. Er is geen noodzaak meer om te bepalen of iets leeg is van zelf, of leeg is van inherent bestaan. Beide inzichten lossen op in een eenvoudig zien: dat wat verschijnt, verschijnt zonder eigenaar, zonder grond, zonder dat het ergens op rust.
En precies daarin ligt een ongedwongen vrijheid. Geen leegte die ontneemt, maar een leegte die opent. Geen afwezigheid, maar een ruimte waarin niets vastgehouden hoeft te worden.
Wat overblijft, is geen antwoord, maar een stille transparantie zonder centrum.
