AFWEZIGHEID VAN ZEGGENSCHAP

In de Anattalakkhaṇa Sutta, Saṁyutta Nikāya 22.59, lezen we het volgende: ❛ Monniken, fysieke vorm—lichaam (rūpa; id.)—is zonder zelf.❜

Wat bedoelt de Boeddha hier met ‘zonder zelf’?

Wat hier wordt aangereikt, is geen abstracte stelling, geen filosofisch concept, maar een directe uitnodiging tot zelfonderzoek. 

Indien de beoefenaar werkelijk meester zou zijn over dit lichaam, zou hij kunnen bepalen: ‘Laat dit lichaam niet ziek worden. Laat het niet verouderen. Laat het niet sterven.’

Maar zo is het niet.

Het lichaam volgt zijn eigen aard, onderhevig aan ontstaan en vergaan, ongeacht wens of wil. Ziekte, ouderdom en dood voltrekken zich niet op bevel, noch kunnen zij worden afgewezen.

Daarin wordt iets zichtbaar. Niet als conclusie, maar als een stille herkenning: ❛ Dit lichaam is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.❜

Hetzelfde geldt voor de overige vier componenten (khandhā; skandhā) waaruit het bestaan is opgebouwd: gevoelens (vedanā; id.);percepties (saññā; saṃjñā); mentale formaties (saṅkhārāsaṃskāra) en bewustzijn (viññāṇa; vijñāna).

Ook daar ontbreekt iedere vorm van zeggenschap. Ook daar ontvouwt zich hetzelfde inzicht: ❛ Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.❜ 

Wanneer dit inzicht zich verdiept, wordt zichtbaar: ❛Een goed onderwezen edele discipel, die dit alles met juist inzicht ziet zoals het is, keert zich af van fysieke vorm; gewaarwordingen/gevoelens; percepties; saṅkhāra’s en bewustzijn. Doordat hij zich afkeert, wordt hij passieloos. Doordat hij passieloos is, wordt [zijn geest] bevrijd. Doordat zijn geest bevrijd is, is er het weten dat zijn geest bevrijd is.❜

Hij beseft:

❛ Geboorte is ten einde, het spirituele leven is geleefd, wat gedaan moest worden is gedaan, er is geen verdere toestand van bestaan.❜

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.