
Wanneer in de Dhamma gesproken wordt over wedergeboorte (punabbhava; punarbhava), wijst dat niet naar een ziel die opnieuw verschijnt, noch naar een ‘ik’ dat zich verplaatst van hier naar daar. Wat wij gewoonlijk als ‘ik’ ervaren, is een samenspel van veranderlijke processen—lichaam en geest, voortdurend in beweging, zonder een blijvende, vaste kern (anattā; anātman).
En toch verschijnt er een indruk van continuïteit.
Zoals een vlam een andere vlam aansteekt zonder zichzelf over te dragen, zo zet ook ervaring zich voort. Niet dezelfde, niet een andere. Wat zich voortzet, is geen entiteit, maar een stroom van conditionering, gedragen door oorzaken en voorwaarden (paṭicca-samuppāda; pratītya-samutpāda).
Wedergeboorte is dan ook geen verplaatsing, maar het opnieuw ontstaan van voorwaarden (paccayā; pratyayāḥ) wanneer onwetendheid (avijjā; avidyā) aanwezig blijft en verlangen (taṇhā; tṛṣṇā) zich verdiept tot hechting. Vanuit dit verlangen ontvouwt zich worden (bhava; id.), en waar worden is, daar verschijnt geboorte (jāti; id.)—steeds opnieuw, in subtiele en grove vormen.
Dit gebeurt in elk moment.
Een gedachte komt op en verdwijnt, een gevoel verschijnt en lost weer op, een nieuwe beweging dient zich aan. Steeds opnieuw ontstaat er ‘worden’, steeds opnieuw een vorm van verschijnen binnen de vijf khandha’s (id.).
Zolang dit niet helder wordt doorzien, blijft het proces zich herhalen—moment na moment, leven na leven, gedragen door telkens opnieuw opkomende krachten van onwetendheid en gehechtheid.
Maar waar helder zien (yathābhūta ñāṇadassana; yathābhūta-jñāna-darśana) doorbreekt en het grijpen (upādāna; id.) stilvalt, komt dit worden tot rust. Daar eindigt de cyclus van geboorte en dood (saṃsāra; id.), niet doordat iets wordt vernietigd, maar doordat de voorwaarden voor ontstaan wegvallen.
Daar is geen nieuwe geboorte meer. Niet omdat iets wordt beëindigd, maar omdat er niets meer is dat nog ontstaat.
