HET GEBORENE EN HET ONGEBORENE

Er is wat verschijnt, en er is dat waarin verschijnen mogelijk is. Wat geboren wordt, komt op. Het heeft een begin, een vorm, een duur. Het ontstaat afhankelijk van voorwaarden (paṭicca-samuppāda; pratītya-samutpāda) en verdwijnt wanneer die voorwaarden uiteenvallen. Zo is elk gevoel, elke gedachte, elke ervaring. Zo is ook dit lichaam, deze wereld, dit leven.

Het geborene beweegt. Het verandert. Het draagt de sporen van vergankelijkheid in zich. Alles wat verschijnt, staat in relatie tot tijd, tot ontstaan en vergaan. Wat gezien wordt, wat ervaren wordt, wat gekend wordt — het komt en het gaat.

Maar de Boeddha wijst ook naar iets anders. Niet als een tegenovergestelde, niet als een verborgen werkelijkheid achter de dingen, maar als dat wat niet ontstaat en daarom ook niet vergaat. Het Ongeborene (ajāta; id.), het Ongeconditioneerde (asaṅkhata; asaṃskṛta), wordt niet gemaakt, niet gedragen, niet vastgehouden.

Het Ongeborene verschijnt niet, maar niets verschijnt buiten dit. Het staat niet tegenover het geborene, maar raakt het niet aan. Wanneer verlangen (taṇhā; tṛṣṇā) uitdooft, wanneer grijpen (upādāna; id.)stilvalt, wanneer ‘worden’ (bhava; id.) geen richting meer zoekt, openbaart zich geen leegte als afwezigheid, maar een diepe vrede (santi; śānti).

Niets nieuws, niet iets dat verkregen wordt, maar het ophouden (nirodha; id.) van wat nooit nodig was. Het geborene komt en gaat. Het Ongeborene blijft onberoerd. Niet als bezit, niet als ervaring, maar als vrijheid (vimutti; vimukti) die zich toont wanneer niets meer vastgehouden wordt.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.