
Upadhi (upādhi) verwijst naar de grondslag, de voedingsbodem of het dragende substraat van geconditioneerd bestaan. Het is datgene wat zich door verlangen (taṇhā; tṛṣṇā), afkeer (dosa; dveṣa), vastgrijpen (upādāna; id.) en identificatie steeds opnieuw opstapelt en waarop het proces van worden (bhava; id.) en wedergeboorte kan voortduren. Zolang upadhi aanwezig is, vindt saṃsāra (id.) steeds opnieuw een voedingsbodem.
Upadhi moet onderscheiden worden van upādāna (id.). Upādāna is het vastgrijpen, het zich hechten aan en het zich identificeren met wat wordt ervaren. Door dit vastgrijpen wordt steeds opnieuw upadhi opgebouwd: de grondslag waarop nieuw worden kan ontstaan.
In de commentaren op de Pāli-canon worden vier vormen van upadhi onderscheiden: de vijf aggregaten (pañca khandhā; pañca skandhāḥ), zintuiglijk verlangen (kāma; id.), mentale bezoedelingen (kilesā; kleśāḥ) en intentionele handelingen (kamma; karma). Samen vormen zij de voedingsbodem waarop de kringloop van saṃsāra in stand blijft.
Daarom wordt nibbāna (nirvāṇa) omschreven als sabbupadhi-paṭinissagga (sarvopadhi-pratiniḥsargaḥ): het volledig loslaten van alle grondslagen, alle voedingsbodems en alle substrata van geconditioneerd bestaan. Waar geen upadhi meer wordt opgebouwd, ontbreekt iedere basis voor nieuw worden. Daar eindigt dukkha (duḥkha).
De beoefening richt zich daarom niet alleen op het herkennen van waaraan de geest zich vastgrijpt, maar vooral op het doorzien van de voedingsbodem waarop dit vastgrijpen steeds opnieuw ontstaat. Wanneer die voedingsbodem wegvalt, wordt geen upadhi meer opgebouwd. Waar geen upadhi meer is, kan saṃsāra niet langer wortel schieten.
