JEZELF BESTUDEREN, IS JEZELF VERGETEN

In de Shobogenzo zegt Eihei Dogen (1200-1253) het volgende: 

❛ Het pad van de Boeddha bestuderen is het zelf bestuderen. Het zelf bestuderen is het zelf vergeten. Het zelf vergeten is bevestigd worden door alles wat bestaat. Wanneer men bevestigd wordt door alles wat bestaat, vallen lichaam en geest weg, zowel van jezelf als van anderen. Er blijft geen spoor van verlichting over, en dat spoorloze blijft eeuwig voortduren.❜

Jezelf bestuderen lijkt op het eerste gezicht een beweging naar binnen, een verfijning van aandacht, een subtiele vorm van wijze aandacht (yoniso manasikāra; yoniśo manaskāra). Maar wie dieper kijkt, merkt dat dit onderzoek geen opstapeling is van kennis over een ‘ik’, geen verfijning van identiteit, geen bevestiging van wat men denkt te zijn.

Integendeel.

In het stille en onbevangen kijken naar lichaam (kāya; id.), gevoel (vedanā; id.), geest (citta; id.) en verschijnselen (dhamma; dharma),ontvouwt zich een inzicht dat niet gezocht werd, maar zich toont wanneer het zoeken zelf oplost. Wat eerst ervaren werd als ‘ik’, blijkt niets anders dan een samenspel van voorwaarden (paṭicca-samuppāda; pratītya-samutpāda), voortdurend opkomend en weer verdwijnend.

Hier begint het vergeten.

Niet als een verlies, maar als een loslaten zonder intentie. Het ‘zelf’ dat bestudeerd werd, kan niet gevonden worden als een vaste kern, als iets blijvends, als iets dat aan iets of iemand toebehoort. Wat zich toont, is een stille helderheid, een weten zonder centrum— anattā (anātman) dat zich niet als concept aandient, maar als directe doorzichtigheid.

In dat zien valt de neiging weg om zichzelf nog te willen begrijpen, te willen vasthouden, te willen definiëren. De beweging van het denken—subtiel gehecht aan ‘mij’ en ‘mijn’—verliest haar bestaansgrond, haar fundament. Wat blijft is eenvoudig gewaarzijn (sati; smṛti), vrij van projectie, vrij van toeëigening.

En zo wordt het bestuderen van het zelf een zachte ontmanteling van datzelfde zelf.

Niet door inspanning, niet door ontkenning, maar door het stille inzicht (paññā; prajñā) dat niets wat verschijnt een ‘zelf’ is — noch in verleden, noch in toekomst, noch in dit moment.

Wat vergeten wordt, was nooit werkelijk aanwezig. Wat zich toont, behoeft zelfs geen naam.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.