WAAR VERBEELDING VERVAAGT EN DOORZIEN OVERBLIJFT

Wie zich verliest in mythen, in verheven figuren of in goden, raakt gemakkelijk verwijderd van wat zich hier en nu ontvouwt. Niet omdat deze beelden geen betekenis zouden hebben, maar omdat ze het zicht vertroebelen op wat onmiddellijk en direct ervaarbaar is.

Alles wat verschijnt—of het nu grof is of subtiel, menselijk of goddelijk—beweegt binnen het veld van afhankelijk ontstaan (paṭicca-samuppāda; pratītya-samutpāda). Het komt tot stand door oorzaken (hetu; id.) en voorwaarden (paccaya; pratyaya), en verdwijnt wanneer deze uiteenvallen. In die zin delen mythen en goden dezelfde aard als elke gedachte, elke sensatie, elk moment van bewustzijn: ze zijn geconditioneerd (saṅkhata; saṃskṛta).

Wanneer het hart zich hecht aan deze verschijnselen, ontstaat er een subtiele vorm van grijpen (upādāna; id.), een vasthouden aan wat per definitie niet blijvend is. En waar vasthouden is, daar volgt onvermijdelijk lijden.

Toch ligt de misleiding niet in het bestaan van deze beelden, maar in het geloof dat zij op zichzelf bevrijding zouden brengen. Bevrijding ontvouwt zich niet in wat gedacht, vereerd of voorgesteld wordt, maar in het helder doorzien van vergankelijkheid (anicca; anitya),onbevredigendheid (dukkha; duḥkha) en niet-zelf (anattā; anātman)—precies daar waar ervaring zich aandient, ongefilterd en zonder toevoeging.

Zo nodigt de Dhamma niet uit tot ontkenning, maar tot een verfijnd zien. Een zien dat niets uitsluit, maar ook niets verheft tot iets wat het niet is. Een doorzien.

In dat stille, ongekunstelde zien valt de verleiding weg om ergens anders te zoeken. En precies daar ontvouwt zich wat nooit gezocht hoefde te worden.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.