DE VOORWAARDEN VOOR HELDER ZIEN

De Dhamma nodigt ons uit de dingen te zien zoals ze werkelijk zijn — yathābhūta-ñāṇadassana. Maar helder zien kan niet zomaar worden afgedwongen. We kunnen niet eenvoudig besluiten voortaan zonder vertekening te kijken.

De geest waarmee we kijken, is immers zelf geconditioneerd. Begeerte, afkeer, angst, verwachting en identificatie kleuren wat we zien. Wat zich voordoet, wordt niet alleen waargenomen; bijna onmiddellijk ontstaat er een reactie op: we willen het vasthouden, ervan weg, het beoordelen, verklaren of ons ermee identificeren.

Daardoor zien we niet altijd eenvoudig wat er is. We zien wat er is doorheen wat de geest eraan toevoegt.

Beoefening gaat daarom niet alleen over aandachtiger leren kijken. Ze gaat ook over het ontwikkelen van de voorwaarden waaronder helder zien mogelijk wordt.

Sīla draagt bij tot een geest die minder wordt verstoord door de gevolgen van onheilzaam handelen. 

Sati maakt ons opmerkzaam op wat zich van moment tot moment voordoet. 

Samādhi stabiliseert en concentreert de geest. 

En wanneer de geest minder wordt meegesleept door begeerte, afkeer en verwarring, krijgt paññā — wijsheid — ruimte om zich te ontwikkelen.

Ook helder zien ontstaat afhankelijk van voorwaarden.

Dat betekent niet dat we eerst een volkomen stille of geconcentreerde geest moeten bereiken voordat inzicht mogelijk wordt. Sīla, sati, samādhi en paññā ondersteunen en verdiepen elkaar. Wanneer we helder zien dat er onrust is, worden we niet langer volledig door die onrust meegesleept. Wanneer we begeerte als begeerte herkennen, hoeven we haar niet onmiddellijk te volgen. Wanneer afkeer als afkeer wordt gezien, hoeft zij niet langer ongemerkt te bepalen hoe we kijken.

Juist daarin begint de vertroebeling zichtbaar te worden.

Daarom hoeft de vraag niet altijd te zijn: hoe kan ik de werkelijkheid helderder zien?

We kunnen de vraag omkeren en het volgende onderzoeken: wat verhindert mij op dit moment om helder te zien?

Is er verlangen naar een bepaalde uitkomst? Afkeer van wat zich aandient? Een oordeel, verwachting of overtuiging? Is er de subtiele toe-eigening van wat wordt ervaren als ‘ik’, ‘mij’ of ‘mijn’?

Ook dat hoeft niet te worden weggeduwd. Want zodra we proberen de vertroebeling kwijt te raken omdat we helder willen zien, kan dat verlangen zelf opnieuw tussen ons en de ervaring komen te staan.

Het gaat er daarom niet om een bijzondere toestand van helderheid te produceren. Het gaat erom te zien wat zich voordoet — ook wanneer dat verwarring, onrust, verlangen of weerstand is.

Wanneer we zien wat het zien vertroebelt, beginnen we tegelijkertijd de voorwaarden van die vertroebeling te begrijpen. We zien hoe zij ontstaat, hoe zij wordt gevoed en hoe zij ook weer verdwijnt wanneer haar voorwaarden veranderen.

Zo wordt helder zien niet iets wat we moeten bereiken. Het wordt steeds meer het gevolg van wat niet langer wordt toegevoegd.

Minder grijpen.

Minder afwijzen.

Minder interpreteren vanuit ‘ik’ en ‘mijn’.

Dan hoeft de werkelijkheid niet anders te worden voordat zij helder kan worden gezien.

Yathābhūta-ñāṇadassana — kennis en zien van de dingen zoals ze werkelijk zijn — betekent niet dat wij een bijzondere werkelijkheid leren zien. Het betekent dat er steeds minder tussenkomt in het zien van wat er al is.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.