BEGOOCHELING

Alle verschijnselen ontstaan, bestaan en vergaan wanneer de daarvoor vereiste oorzaken (hetu’s; id.) en voorwaarden (paccaya’s; pratyaya) aanwezig zijn.

Er is een wezenlijk onderscheid tussen het proces van ontstaan, bestaan en vergaan enerzijds en de illusie van een ‘zelf’ anderzijds. Het proces is geen begoocheling. Het voltrekt zich. Waarneembaar. Direct te zien.

De illusie ligt niet in het verschijnen van de verschijnselen, maar in de manier waarop de onwetende ‘wereldling’ (puthujjana; pṛthagjana) ze ziet: als stabiel, als duurzaam, als iets met een eigen essentie.

Maar niets blijft.

Verschijnselen zijn leeg aan blijvende stabiliteit, leeg aan een onveranderlijke essentie. Ze zijn zelfloos (anattā; anātman). Wat ontstaat, verandert. Wat ontstaat, vergaat.

Concreet: je bent niet meer wat je was toen je deze tekst begon te lezen.

Wat je ‘ik’ noemt, is geen vaste, onveranderlijke kern. Het is een voortdurend veranderend, geconditioneerd gebeuren: lichaam, gevoelens, waarnemingen, mentale formaties en bewustzijn — verschijnend en verdwijnend naargelang oorzaken en voorwaarden.

Niets daarin kan worden vastgehouden als: ‘Dit ben ik. Dit is van mij. Dit is mijn zelf.’

En toch voltrekt het leven zich.

Niet als een blijvende essentie, maar als een onophoudelijk ontstaan, veranderen en vergaan. Zonder vastheid. Zonder een kern die ergens achter of binnen dit gebeuren verborgen ligt.

Dit niet rechtstreeks zien — het vergankelijke voor duurzaam houden, het zelfloze voor een ‘zelf’ — is begoocheling.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.