WAAR OVERTUIGING PLAATS MAAKT VOOR INZICHT

De mens zoekt zekerheid. In overtuigingen. In leerstellingen. In tradities. In woorden die verklaren wat de werkelijkheid is. Wat waar is. Wat onwaar is. Wat moet aangenomen worden. Wat moet verworpen worden.

Religies en filosofieën kunnen richting geven. Troost bieden. Het leven betekenis verlenen. Maar zodra hun uitspraken onaantastbaar worden, dreigt het onderzoek te verstommen. Wat oorspronkelijk een weg naar inzicht kon zijn, wordt dan een waarheid die verdedigd moet worden.

Daar ligt het wezenlijke onderscheid. Niet tussen de ene religie en de andere. Niet tussen gelovigen en ongelovigen. Maar tussen dogmatische zekerheid en vrij onderzoek.

Dogmatische zekerheid vertrekt vanuit wat vaststaat. Vrij onderzoek vertrekt vanuit de bereidheid om te zien. Om te twijfelen. Om te onderzoeken. Om zelfs de meest gekoesterde overtuigingen los te laten wanneer zij niet overeenstemmen met wat rechtstreeks wordt doorzien.

Ook het boeddhisme ontsnapt niet aan dit gevaar. Vergankelijkheid (anicca; anitya). Onbevredigendheid (dukkha; duḥkha). Niet-zelf(anattā; anātman). Zelfs deze fundamentele kenmerken kunnen worden herleid tot leerstellingen die men uit het hoofd leert, verdedigt en als bezit beschouwt.

Dan wordt de Dhamma een overtuiging. Een identiteit. Een standpunt tegenover andere standpunten. En wat bedoeld was om gehechtheid te beëindigen, kan zelf een voorwerp van gehechtheid worden.

De Boeddha wees een andere mogelijkheid aan. 

Niet dogmatisch geloven dat verschijnselen vergankelijk zijn. Maar hun ontstaan en vergaan rechtstreeks onderzoeken. Niet dogmatisch aannemen dat er geen onafhankelijk, blijvend zelf bestaat. Maar doorzien hoe lichaam en geest afhankelijk ontstaan en hoe de gedachte aan ‘ik’, ‘mij’ en ‘mijn’ tot toe-eigening leidt.

Daarvoor is geen vijand nodig. Geen andere religie die moet worden weerlegd. Geen overtuiging die met geweld moet worden afgebroken.

Wat nodig is, is de bereidheid om niets aan onderzoek te onttrekken. Ook de eigen opvattingen niet. Ook de eigen traditie niet. Ook de woorden van de Dhamma niet.

Maar vrij onderzoek is geen doel op zichzelf. Eindeloos twijfelen bevrijdt evenmin als blind geloven. Onderzoek krijgt zijn diepste betekenis wanneer het zichtbaar maakt hoe verlangen ontstaat. Hoe gehechtheid wordt gevoed. Hoe dukkha ontstaat. En hoe haar oorzaken kunnen ophouden.

Daar ligt de maatstaf. Functioneel. Niet in het aantal overtuigingen dat iemand bezit. Niet in de zekerheid waarmee hij ze verdedigt. Niet in de traditie waartoe hij behoort.

Maar in het verminderen van verlangen (taṇhā; tṛṣṇā). Het verzwakken van gehechtheid (upādāna; id.). Het groeien van wijsheid (paññā; prajñā). Het beëindigen van dukkha.

Ook de Dhamma is geen bezit. Zij is een weg die beoefend moet worden. Een aanwijzing die onderzocht moet worden. Een middel tot bevrijding, niet een nieuwe identiteit waaraan men zich vastklampt.

De Dhamma is geen waarheid om zich aan vast te klampen. Zij is een weg naar bevrijding. Geen onafhankelijk, blijvend ‘zelf’ dat gered of bevrijd moet worden. Maar het rechtstreeks doorzien van verlangen en gehechtheid. Het uitdoven van het grijpen dat dukkha in stand houdt.

En juist daarin ligt bevrijding.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.