
Elke meditatiebeoefening begin ik met het onderzoeken van de Vijf Hindernissen (pañca nīvaraṇāni). Niet om ze te onderdrukken. Niet om ze te veroordelen. Maar om te kijken wat er werkelijk in mijn geest aanwezig is. Zintuiglijk verlangen (kāmacchanda). Kwaadwilligheid (byāpāda). Luiheid en slaperigheid (thīna-middha). Rusteloosheid en wroeging (uddhacca-kukkucca). Twijfel (vicikicchā). Vijf hindernissen. Vijf vormen van vertroebeling.
Waarom begin ik hiermee? Omdat een geest die door hindernissen wordt beheerst, niet helder kan zien. Omdat concentratie (samādhi) niet begint met het afdwingen van stilte, maar met het herkennen van wat de geest verstoort.
In de Saṅgārava Sutta, Saṁyutta Nikāya 46.55, vergelijkt de Boeddha de geest met een kom water. Gekleurd water. Kokend water. Water bedekt met algen. Water dat door de wind wordt bewogen. Troebel en modderig water. In geen van deze toestanden kan iemand zijn eigen spiegelbeeld helder zien.
Zo is het ook met de geest. Wanneer verlangen overheerst, ziet de geest wat hij begeert. Wanneer afkeer overheerst, ziet hij wat hij verwerpt. Wanneer luiheid overheerst, ontbreekt helderheid. Wanneer rusteloosheid of wroeging overheerst, ontbreekt stabiliteit. Wanneer twijfel overheerst, raakt de geest verstrikt in onzekerheid. De verschijnselen volgen hun eigen oorzaken en voorwaarden. Maar de manier waarop ze worden waargenomen, kan vertroebeld raken. Niet de verschijnselen zelf vormen de hindernis. Maar het verlangen. De afkeer. De onwetendheid waarmee ze worden benaderd.
Daarom begin ik mijn beoefening met herkennen. Verlangen herkennen als verlangen. Afkeer als afkeer. Luiheid als luiheid. Rusteloosheid als rusteloosheid. Twijfel als twijfel. Zonder oordeel. Zonder verzet. Zonder identificatie. Wat wordt herkend, hoeft niet langer blindelings te worden gevolgd. Maar herkennen alleen volstaat niet. Door opmerkzaamheid (sati) wordt de hindernis zichtbaar. Door juiste inspanning (sammā-vāyāma) wordt ze aangepakt. Door kalmte (samatha) kan de geest tot rust komen. De hindernissen verliezen tijdelijk hun greep. De geest wordt helderder. Stabieler. Ontvankelijker.
Maar tijdelijke rust is geen bevrijding. Ook wanneer de hindernissen verdwenen lijken, kunnen hun onderliggende oorzaken aanwezig blijven. Daarom is inzicht (vipassanā) noodzakelijk. Het rechtstreeks doorzien van het ontstaan en vergaan van verschijnselen. Vergankelijkheid (anicca). Onbevredigendheid (dukkha). Niet-zelf (anattā). Niet als theorie. Maar als rechtstreekse ervaring. Wanneer verlangen, afkeer en onwetendheid door bevrijdend inzicht definitief worden ontworteld, verliezen de hindernissen hun diepste voedingsbodem.
De Boeddha wijst niet naar een geest die nooit meer wordt verstoord omdat hij zich afsluit van de wereld. Hij wijst naar bevrijding van de oorzaken die de geest gevangenhouden. Zoals stil, helder water een spiegelbeeld kan weergeven, zo kan een geest die vrij is van hindernissen, de werkelijkheid helderder doorzien. Niet zoals we willen dat ze is. Niet zoals we vrezen dat ze is. Maar zoals ze werkelijk is. Yathābhūta.
