
Het Ongeborene (ajāta; id.) (*) laat zich niet kennen als een ervaring tussen andere ervaringen. Het verschijnt niet, en toch is het nooit afwezig.
Alles wat wij gewoonlijk als werkelijkheid beschouwen, beweegt binnen het veld van ontstaan en vergaan. Gedachten komen op en lossen weer op. Gevoelens verschijnen en verdwijnen. Zelfs de meest verfijnde staten van concentratie dragen nog het kenmerk van vergankelijkheid.
Maar het Ongeborene beweegt niet mee in deze stroom. Het wordt niet geraakt door tijd, niet gevormd door oorzaken, niet begrensd door voorwaarden.
Het is niet iets wat zich aandient. Het is dat waarin niets zich nog hoeft aan te dienen.
Wanneer inzicht diep genoeg doordringt—wanneer gezien wordt dat alles wat ontstaat noodzakelijk ook vergaat—verliest de geest zijn neiging om zich nog ergens aan vast te hechten. Niet uit wilskracht, maar uit helderheid.
En in dat loslaten, dat geen handeling meer is maar een vanzelfsprekendheid, valt het spel van ‘worden’ (bhava; id.) stil.
Niet omdat iets wordt beëindigd, maar omdat gezien wordt dat er nooit iets was om te behouden.
Daar, waar geen ontstaan meer wordt verondersteld, wordt zichtbaar wat niet ontstaat en niet vergaat. Niet als een object van kennis, maar als de afwezigheid van elke noodzaak tot kennen.
Het is geen leegte die iets ontneemt, maar een openheid waarin niets ontbreekt.
__________
(*): Ajāta (id.) betekent ‘ongeboren’ of ‘niet-ontstaan’. In de Pāli-canon verwijst het naar het ongeconditioneerde (asaṅkhata; asaṃskṛta), dat niet ontstaat en niet vergaat. Het Ongeborene duidt naar datgene wat niet onderworpen is aan ontstaan en vergaan, en zichtbaar wordt wanneer verlangen (taṇhā; tṛṣṇā), hechting (upādāna; id.) en onwetendheid (avijjā; avidyā) uitdoven. Wat wegvalt is het grijpen, de vertekening, de identificatie. Daarmee valt de hele structuur van zoeken en vasthouden weg. Er blijft niets over om vast te houden. En niets dat nog vasthoudt. Dit is bevrijding.
