NIETS MEER OM AAN VAST TE HOUDEN

Bevrijding (vimutti; vimukti) ontstaat niet wanneer de wereld eindelijk doet wat wij willen. Bevrijding ontstaat wanneer de geest zich nergens meer aan vastgrijpt (anissita; anāśrita).

De arahant is niet bevrijd omdat het leven gemakkelijker is geworden. Hij is bevrijd omdat begeerte (taṇhā; tṛṣṇā), grijpen (upādāna; id.) en de subtiele neiging tot ‘ik ben’ (asmimāna; asmitāmāna) volledig zijn uitgedoofd. Er is niets meer dat door omstandigheden kan worden meegesleept. Niets dat de geest nog doet wankelen (iñjita).

Daarom rust de geest in een onafhankelijkheid die niet afhankelijk is van wat verschijnt of verdwijnt.

Dat is geen afstandelijkheid, maar de natuurlijke vrede die ontstaat wanneer alle grijpen is uitgedoofd.

Het ongeconditioneerde (asaṅkhata; asaṃskṛta) wordt niet gevonden door ergens heen te gaan. Het wordt zichtbaar wanneer niets meer wordt vastgehouden.

Deze mogelijkheid ligt besloten in ieder mens.

Dhamma (Dharma) vraagt daarom niet om geloof, maar om beoefening (paṭipatti; pratipatti). Alleen wat werkelijk wordt geleefd, kan werkelijk worden gezien.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.