WANNEER HET ‘IK’ WEGVALT, DOOFT HET LIJDEN

Wie stil wordt, ziet soms iets merkwaardigs: datgene wat we zo vanzelfsprekend ‘ik’ noemen, laat zich nergens werkelijk vastnemen. Het verschijnt als een samenstelling van ervaringen, gewaarwordingen en intenties die opkomen en weer verdwijnen in een voortdurend spel van oorzaken en voorwaarden. Wat eerst als vast en centraal werd ervaren, toont zich dan als iets dat beweegt, verschuift en oplost.

In de taal van de Dhamma wordt dit aangeduid als anattā (anātman): zelfloosheid, het inzicht dat in wat ontstaat en vergaat geen blijvend, onveranderlijk zelf kan worden gevonden. Niet als een filosofische stelling, maar als een directe herkenning die zich ontvouwt wanneer aandacht helder en onbevangen wordt. Daar waar dit inzicht begint door te dringen, verliest het idee van ‘ik’ geleidelijk zijn geconditioneerde vanzelfsprekendheid.

Met het vasthouden aan dat ‘ik’ gaan ook de subtiele bewegingen van grijpen en afweren gepaard—het verlangen (taṇhā; tṛṣṇā) dat zich hecht en het vastklampen (upādāna; id.) dat daaruit voortvloeit. Hier ligt de voedingsbodem van dukkha(duḥkha): niet als een abstract begrip, maar als de fijnmazige spanning die ontstaat wanneer het veranderlijke wordt toegeëigend als ‘dit is van mij’, ‘dit ben ik’, ‘dit is mijn zelf’.

Wanneer die toe-eigening niet langer wordt bevestigd, hoeven ook deze bewegingen niet langer gevoed te worden. Niet omdat ze worden onderdrukt, maar omdat hun voedingsbodem verdwijnt. Wat zich toont, is geen leegte in de zin van gemis, maar een openheid waarin verschijnselen kunnen ontstaan en vergaan zonder dat eraan hoeft te worden vastgehouden.

In die openheid ontvouwt zich een andere kwaliteit van kennen: niet langer gecentreerd rond een zelfbeeld, maar eenvoudig helder en onbevangen. Hier wordt zichtbaar dat het loslaten van het ‘ik’ niet zozeer een daad is, maar het natuurlijke uitdoven van een misvatting. En met het uitdoven van die misvatting verliezen ook de oorzaken die het lijden in stand houden hun voedingsbodem.

Niet door iets te worden, maar door het doorzien van de misvatting dat er een blijvend ‘ik’ is dat iets moet worden.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.