ERKENNING OF HERKENNING

Een boeddhistische organisatie kan erkenning zoeken. Van de samenleving. Van de overheid. Van andere religies en levensbeschouwingen. Daar hoeft op zichzelf niets mis mee te zijn. Institutionele erkenning kan praktische voordelen bieden. Ze kan het boeddhisme een plaats geven binnen maatschappelijke structuren, vertegenwoordiging mogelijk maken en voorwaarden scheppen waarin bepaalde activiteiten gemakkelijker kunnen worden georganiseerd.

Maar laten we duidelijk blijven over wat daarmee wordt erkend.

Een overheid kan een organisatie erkennen. Ze kan haar een juridisch statuut geven, vertegenwoordigers aanvaarden en financiële en praktische ondersteuning bieden. Wat zij niet kan doen, is de Dhamma waar maken. Geen wet kan anicca bekrachtigen. Geen officiële erkenning maakt dukkha werkelijker. Geen instelling kan nibbānalegitimeren. En geen maatschappelijke status kan voor een beoefenaar begeerte, vastgrijpen of onwetendheid beëindigen.

Institutionele erkenning kan daarom iets betekenen voor het boeddhisme als maatschappelijke organisatie. Zij bepaalt echter niets over de waarheid van de Dhamma en brengt op zichzelf geen bevrijding tot stand.

Daarin schuilt een merkwaardige paradox. Een boeddhistische organisatie kan jarenlang energie steken in de vraag of de samenleving haar erkent, terwijl de Dhamma de beoefenaar voortdurend terugbrengt naar een heel andere vorm van herkennen.

Herken ik dukkha wanneer het ontstaat? Herken ik hoe begeerte bijdraagt aan het ontstaan en voortduren ervan? Zie ik hoe ik grijp naar wat aangenaam is en weerstand bied aan wat onaangenaam is? Zie ik hoe lichaam, gevoelens, gedachten en ervaringen telkens opnieuw worden toegeëigend als ‘ik’, ‘mij’ en ‘mijn’?

En belangrijker: leer ik los te laten?

Daar ligt een herkenning die geen overheid kan verlenen en geen organisatie voor ons kan verkrijgen. Zij ontstaat wanneer de beoefenaar zelf begint te zien wat de Boeddha aanwijst. Niet omdat een autoriteit verklaart dat het waar is, maar omdat het in de eigen ervaring wordt onderzocht, gekend en doorgrond.

Dat betekent niet dat organisaties, structuren of maatschappelijke erkenning waardeloos zijn. Ze behoren eenvoudig tot een andere orde. Ze kunnen de omstandigheden ondersteunen waarin de Dhamma wordt onderwezen en beoefend. Maar zodra het middel het doel begint te overschaduwen, is het goed opnieuw de vraag te stellen die de Dhamma altijd stelt: waar leidt dit naartoe?

Naar meer status, invloed, publieke financiering en institutionele zekerheid? Of helpt het werkelijk voorwaarden te scheppen waarin begeerte en vastgrijpen kunnen worden doorzien en uiteindelijk beëindigd?

Maar er blijft een ongemakkelijke vraag. Hoeveel tijd en energie is dit alles waard? Ons leven is beperkt. Het lichaam veroudert. Ziekte kan komen. De dood wacht niet tot onze structuren voltooid zijn of onze maatschappelijke positie verzekerd is. Intussen blijven begeerte, vastgrijpen en onwetendheid hun werk doen.

De vraag is daarom niet alleen of institutionele erkenning nuttig kan zijn. Dat kan ze zeker. De diepere vraag is hoeveel plaats zij verdient in een leven dat in het teken staat van bevrijding. Heeft de beoefenaar niets dringenders te onderzoeken? Dukkhais hier. Begeerte is hier. Vastgrijpen is hier. Vergankelijkheid voltrekt zich hier en nu.

De samenleving kan het boeddhisme erkennen. Ze kan organisaties een plaats geven, structuren ondersteunen en de beoefening maatschappelijk faciliteren. Dat kan waardevol zijn.

Maar bevrijding wordt niet door die erkenning verkregen. Die deur blijft onherroepelijk gesloten.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.