
Wat wij ‘verleden’ noemen, is reeds verdwenen; wat wij ’toekomst’ noemen, is nog niet verschenen. En toch spreekt men over waarheid alsof zij zich door deze drieledige beweging uitstrekt—alsof zij iets is dat blijft, terwijl alles verschijnt en weer verdwijnt.
Maar wanneer er in stilte gekeken wordt, zonder projectie, zonder het teruggrijpen naar herinnering, zonder het vooruitlopen in verwachting, dan openbaart zich iets anders.
Niet een waarheid die zich in de tijd bevindt, maar een direct zien van wat zich toont—yathā-bhūta-ñāṇadassana (yathā-bhūta-jñāna-darśana). Een zien dat niet vasthoudt, niet benoemt, niet fixeert. In dat zien wordt duidelijk dat alles wat verschijnt onderhevig is aan vergankelijkheid (anicca; anitya), niet bevredigend is (dukkha; duḥkha), en geen blijvende kern draagt (anattā; anātman).
Waarheid, in deze zin, is geen object, geen vaststaand gegeven dat door de tijd heen onveranderd blijft. Zij is geen idee, geen overtuiging, geen doctrine.
Wat wij gewoonlijk als waarheid beschouwen, behoort tot geconditioneerde formaties (saṅkhāra; saṃskāra), opgebouwd uit herinnering, taal en interpretatie.
En toch… in het loslaten van deze constructies, in het verstillen van deze neiging tot vastleggen, ontvouwt zich dat wat niet gebonden is aan ontstaan en vergaan.
Niet als iets dat ‘altijd geweest is’ of ‘altijd zal zijn’, maar als datgene wat zich toont wanneer de beweging van tijd niet langer wordt vastgehouden.
Dit wordt soms aangeduid als het Ongeconditioneerde (asaṅkhata; asaṃskṛta). Niet als een entiteit, niet als een blijvende substantie, maar als de afwezigheid van conditionering—wat zichtbaar wordt wanneer het geconditioneerde (saṅkhata; saṃskṛta) volledig wordt doorzien.
Daar, in die eenvoud, valt de vraag naar verleden, heden en toekomst stil. En wat overblijft, vraagt geen bevestiging meer. Dat is waarheid.
