
Er wordt soms gesproken over ontwaken alsof het een gebeurtenis is—een moment, een transformatie, een helder inzicht dat alles voorgoed verandert. Maar zodra we het zo benaderen, hebben we het al ingekaderd binnen tijd, binnen ervaring, binnen datgene wat verschijnt en weer verdwijnt.
En precies daarin ligt de subtiliteit: het ontwaken mag zich op een bepaald moment voltrekken, maar dat waarnaar het verwijst, laat zich niet vangen binnen het veld van ontstaan en vergaan.
Wat daarbij wordt verwerkelijkt, wordt in de leer aangeduid als nibbāna (nirvāṇa), het ongeconditioneerde (asaṅkhata; asaṃskṛta).Maar deze woorden wijzen niet naar iets dat gekend kan worden zoals een object gekend wordt.
Ze verwijzen naar het uitdoven van verlangen (taṇhā; tṛṣṇā),gehechtheid (upādāna; upādāna) en onwetendheid (avijjā; avidyā)—van datgene waardoor de geest zich vastgrijpt aan wat verschijnt. Niet omdat er iets verloren gaat, maar omdat het grijpen zelf tot rust komt.
In dat verstillen wordt zichtbaar dat alles wat voorheen als ‘werkelijkheid’ werd ervaren, afhankelijk is van voorwaarden (paccaya; pratyaya) die voortdurend opkomen en weer verdwijnen. Dit zien—vipassanā (vipaśyanā)—onthult geen nieuwe werkelijkheid, maar doorziet de illusie van vastheid in wat nooit vast is geweest. Toch behoort ook dit zien tot het domein van de geconditioneerde ervaring.
Wanneer zelfs aan dit zien niet langer wordt vastgehouden, wanneer in het waarnemen geen waarnemer wordt gevonden, geen ‘ik’ dat iets bereikt of begrijpt, daar zwijgt de taal vanzelf. Niet als een tekort, maar als een vanzelfsprekendheid. Want hoe zou het ongeconditioneerde, dat niet ontstaat en niet vergaat, ooit volledig in begrippen kunnen worden gevat?
En toch spreken we erover. Niet om het vast te leggen, maar om voorzichtig te wijzen. Zoals een vinger naar de maan wijst, zonder zelf de maan te zijn.
Misschien is het daarom juister om te zeggen dat ontwaken niet iets is wat aan ons wordt toegevoegd, maar de bevrijding die zich ontvouwt wanneer verlangen (taṇhā; tṛṣṇā) en onwetendheid (avijjā; avidyā) uitdoven.
En zelfs dat is al te veel gezegd.
