
Structuren bieden houvast. Ze ordenen het denken, geven richting aan de beoefening en scheppen een kader waarin het onderzoek van de Dhamma zich kan ontvouwen. Zonder richting blijft de ongetrainde geest gemakkelijk gevangen in verwarring (moha; id.) en in gewoontepatronen die zich steeds opnieuw herhalen. In die zin zijn structuren niet zonder waarde.
En toch…
Geen enkele structuur is bevrijding.
Alles wat geconditioneerd is (saṅkhata; saṃskṛta) ontstaat afhankelijk van oorzaken en voorwaarden. Of het nu gaat om systemen van denken, meditatieve staten of zorgvuldig opgebouwde leerstellingen: wat geconditioneerd is, ontstaat, verandert en vergaat. Wie zich eraan vastklampt, hoe subtiel ook, blijft gehecht aan wat niet blijvend kan zijn.
Ook de meest verfijnde concentratie (samādhi; id.) en de diepste jhāna’s zijn geconditioneerd. Ze kunnen de geest verstillen, helder maken en bevrijdend inzicht mogelijk maken. Ze behoren tot de weg, maar zijn niet het einde van de weg.
Bevrijding (vimutti; vimukti) zelf is niet iets wat door het vervolmaken van een systeem kan worden voortgebracht.
Een methode kan richting geven. Een leer kan wijzen. Een beoefening kan de voorwaarden scheppen waaronder helder zien mogelijk wordt. Maar zodra de geest zich eraan vastklampt—zelfs aan zijn inzichten—wordt wat als middel diende opnieuw een voorwerp van gehechtheid (upādāna; id.).
Daarom bestaat de beoefening niet in het steeds verder verfijnen van structuren, maar in het doorzien ervan.
Wat geconditioneerd is, wordt gezien als geconditioneerd. Wat ontstaat, wordt gezien als ontstaan. Wat vergaat, wordt gezien als vergaan. Zonder er iets van te maken. Zonder het zich toe te eigenen. Zonder daarin een ‘ik’, ‘mij’ of ‘mijn’ te zoeken.
Dat is direct zien.
Niet omdat structuren verworpen moeten worden, maar omdat hun aard wordt doorzien. Wat aanvankelijk noodzakelijk was als richting en ondersteuning, hoeft niet langer te worden vastgehouden wanneer het zijn functie heeft vervuld.
Zoals een vlot wordt gebruikt om de overkant te bereiken en daarna niet op de schouders wordt meegedragen, zo dient ook de Dhamma niet om eraan vast te houden, maar om los te laten.
Wijsheid (paññā; prajñā) maakt zichtbaar wat altijd aan het zicht werd onttrokken door begeerte, gehechtheid en onwetendheid: dat niets wat geconditioneerd is blijvende grond kan bieden.
Het ongeconditioneerde (asaṅkhata; asaṃskṛta) wordt daarom niet opgebouwd. Het wordt niet voortgebracht door enige structuur. Het ontvouwt zich wanneer het vastgrijpen volledig ophoudt.
