
In de Aṅguttara Nikāya zegt de Boeddha: ‘Aandacht voor de dood is, wanneer zij ontwikkeld en gecultiveerd wordt, van grote vrucht en groot nut. Zij mondt uit in het Doodloze en heeft het Doodloze als voltooiing.’ (Maraṇassati Sutta, AN 6.19)
De traditionele levensbeschrijving van de Boeddha vertelt hoe de jonge Siddhattha geconfronteerd werd met een oude man, een zieke, een dode en uiteindelijk een rondtrekkende asceet (samaṇa). Ouderdom. Ziekte. Dood. En daarnaast het perspectief van een weg die voorbij dukkha voert. Of we deze bekende vier ontmoetingen nu letterlijk-historisch nemen of als een latere biografische verbeelding van zijn spirituele zoektocht, hun betekenis is onmiskenbaar: ook ik ben onderhevig aan ouderdom. Ook ik ben onderhevig aan ziekte. Ook ik ben onderhevig aan de dood. Niemand ontsnapt eraan.
De Boeddha was geen dromer. Zijn onderricht vertrekt vanuit de werkelijkheid zoals zij werkelijk is (yathābhūta). Vanuit Dhamma: het ontstaan en vergaan van verschijnselen overeenkomstig oorzaken en voorwaarden. Daarom vroeg hij om zijn onderricht niet louter te geloven omdat het door traditie was overgeleverd, omdat het in geschriften stond, omdat het logisch of aannemelijk leek, of omdat een gerespecteerde leraar het verkondigde. De Dhamma moest gekend en gezien worden. Direct gezien worden.
Zijn ontwaken beschreef de Boeddha in termen van het volledig kennen van de Vier Edele Waarheden: dukkha moest doorgrond worden. De oorzaak van dukkha moest losgelaten worden. De beëindiging ervan moest gerealiseerd worden. Het pad naar die beëindiging moest ontwikkeld worden. En dit volgens drie rondgangen en twaalf aspecten: elke waarheid moest gekend worden; van elke waarheid moest gezien worden welke taak ermee verbonden was; en van elke waarheid moest gezien worden dat die taak volbracht was.
Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de Boeddha zijn volgelingen aanspoorde hun eigen sterfelijkheid nauwkeurig onder ogen te zien. Deze beoefening wordt maraṇasati genoemd: maraṇabetekent dood of sterven; sati verwijst naar indachtigheid, opmerkzaamheid, het helder aanwezig houden van wat gezien moet worden. De dood wordt daarbij niet beschouwd om ons angst aan te jagen. Integendeel. Hij wordt onder ogen gezien omdat hij behoort tot de werkelijkheid van het geconditioneerde bestaan. Alles wat geboren wordt, is onderhevig aan de dood. Ook dit lichaam. Ook het mijne.
In de Satipaṭṭhāna-sutta en Mahāsatipaṭṭhāna-sutta vinden we de zogenaamde knekelveldcontemplaties. De beoefenaar beschouwt een dood lichaam in verschillende stadia van ontbinding en betrekt wat hij ziet onmiddellijk op zijn eigen lichaam: ‘Ook dit lichaam is van dezelfde aard. Ook dit lichaam zal zo worden. Ook dit lichaam kan hier niet aan ontsnappen.’ Daar ligt een bijzonder krachtige contemplatie besloten: ik ook.
Onze westerse samenleving is bijzonder bedreven in het uit het zicht houden van de onaangename kanten van het bestaan. De dood is daarvan misschien wel het duidelijkste voorbeeld. We zijn ‘als de dood’ voor de dood. Sterven gebeurt liefst achter gesloten deuren. Naar voorkeur ‘clean’, op daarvoor bestemde plaatsen: ziekenhuizen, woonzorgcentra, palliatieve afdelingen. We zien zelden een lijk. Nog minder vaak zijn we daadwerkelijk aanwezig bij het stervensproces. De dood wordt daardoor gemakkelijk ervaren als iets dat het leven van buitenaf binnendringt. Als een ongewenste onderbreking. Als een mislukking: iets wat op een onbegrijpelijke of onbehoorlijke manier fout gelopen is.
Maar de dood is niet het tegendeel van het leven. Het behoort tot het geconditioneerde bestaan zelf. Wat ontstaat, vergaat. Wanneer we dat niet willen zien, verdwijnt de werkelijkheid niet. Alleen ons zicht erop wordt vertroebeld. Wat we uit onze aandacht verbannen, houdt daarom niet op te bestaan.
De Boeddha nodigt ons uit onze precaire situatie onder ogen te zien. Zoals ze werkelijk is. Zonder opsmuk. Zonder ontkenning. Zonder weg te kijken. Niet door angst te onderdrukken, noch door onszelf te dwingen de dood gevoelloos te ‘aanvaarden’, maar door nauwkeurig te kijken naar wat zich voordoet. Ook naar de angst zelf. Ook zij ontstaat door oorzaken en voorwaarden. Ook zij verandert. Ook zij vergaat.
Daarom kan aandacht voor de dood een bijzonder krachtig instrument op het pad naar bevrijding uit dukkha zijn. Niet omdat contemplatie ons lichamelijk onsterfelijk maakt. Niet omdat de wijze niet meer sterft. Maar omdat zij rechtstreeks raakt aan onze gehechtheid aan wat onmogelijk blijvend kan zijn.
Maar maraṇasati gaat nog een stap verder. De Boeddha vraagt zijn volgelingen in AN 6.19 hoe zij aandacht voor de dood beoefenen. Sommigen denken dat zij misschien nog een dag en een nacht zullen leven. Anderen denken aan een dag, een halve dag of de duur van één maaltijd. De Boeddha beschouwt deze vormen van aandacht voor de dood nog als nalatig. Werkelijk scherpe aandacht voor de dood betekent beseffen dat het leven misschien niet langer duurt dan het kauwen en doorslikken van één hap voedsel. Misschien niet langer dan één ademhaling.
Dat verandert alles. De dood bevindt zich dan niet langer ergens in een onbestemde toekomst. Het is geen gebeurtenis waarvan we stilzwijgend aannemen dat zij pas later zal plaatsvinden. De mogelijkheid ervan is nu aanwezig. Deze ademhaling. Misschien nog één.
Daarom is maraṇasati geen morbide fixatie op sterven. Het is een radicale aansporing tot niet-nalatigheid (appamāda). Als de dood elk ogenblik kan komen, wat verdient dan werkelijk onze aandacht? Wat moet worden losgelaten? Wat moet worden ontwikkeld? Wat moet worden doorzien? Wat stellen we uit alsof ons nog onbeperkt tijd ter beschikking staat?
Zo verdiept de beschouwing van de dood het inzicht in anicca: de vergankelijkheid van alles wat geconditioneerd is. En waar vergankelijkheid werkelijk gezien wordt, wordt ook duidelijk waarom wat vergankelijk is geen blijvende grond voor bevrediging kan bieden en niet als “dit ben ik, dit is van mij, dit is mijn zelf” kan worden vastgehouden.
Daar begint maraṇasati haar bevrijdende kracht te tonen. Niet doordat de dood verdwijnt, maar doordat onze verblinding erover begint te verdwijnen. Naarmate de realiteit van de dood werkelijk wordt toegelaten, verliezen vermijding, ontkenning en krampachtig vasthouden geleidelijk hun greep. Ook doodsangst kan daardoor verminderen. Niet omdat we onszelf ervan overtuigen dat we niet zullen sterven, maar juist omdat we ophouden te eisen dat het anders zou moeten zijn.
En precies daar krijgt de uitspraak van de Boeddha haar diepste betekenis. Aandacht voor de dood mondt uit in het Doodloze (amata). Het Doodloze betekent niet dat dit lichaam niet meer zal sterven. Alles wat geboren en geconditioneerd is, blijft aan verval en dood onderhevig. Het Doodloze verwijst naar nibbāna: het uitdoven van begeerte, afkeer en onwetendheid; de beëindiging van dukkha en van de voorwaarden waardoor geboorte en dood telkens opnieuw tot stand komen.
Zo ligt de paradox van maraṇasati volledig open: de dood werkelijk onder ogen zien, voert naar het Doodloze. Niet door aan de werkelijkheid te ontsnappen, maar door haar volledig te doorzien.
