
De Dhamma heeft ons niet buiten de geschiedenis om bereikt.
Zij werd mondeling overgeleverd, gereciteerd, op schrift gesteld, geordend en geïnterpreteerd. Rond het onderricht ontstonden leerstellingen, rituelen, instituties en gezagsstructuren. Toen het zich naar andere culturen verspreidde, nam het nieuwe talen, begrippen en symbolen in zich op.
Zonder die overlevering zouden de vroegste leerredes waarschijnlijk niet bewaard zijn gebleven. Traditie is daarom niet de vijand van de Dhamma. Zij is de drager die haar door de eeuwen heen heeft meegevoerd.
Maar wat de Dhamma bewaart, kan haar ook versluieren.
Een hulpmiddel kan een doel op zichzelf worden. Een aanwijzing kan verharden tot een leerstelling die verdedigd moet worden. Vertrouwen kan veranderen in afhankelijkheid van gezag. Beoefening kan uitgroeien tot een identiteit waaraan men zich vastklampt.
Dan wordt de vorm belangrijker dan datgene waarnaar zij verwijst.
De vraag is daarom niet alleen of een leerstelling oud of nieuw, traditioneel of modern, religieus of seculier is. De beslissende vraag is welke functie zij vervult.
Draagt zij bij tot het herkennen van dukkha? Helpt zij ons de voorwaarden te doorzien waardoor dukkha ontstaat en in stand wordt gehouden? Wijst zij naar de mogelijkheid van beëindiging? Ondersteunt zij de weg die naar die beëindiging voert?
Dat criterium geldt voor rituelen en doctrines, maar evenzeer voor mindfulness, psychologie, stressvermindering en zelfontwikkeling. Ook moderne toepassingen kunnen waardevol zijn. Maar wanneer welzijn, succes of de verfijning van het ‘zelf’ het uiteindelijke doel wordt, is de oorspronkelijke gerichtheid van de Dhamma uit het zicht verdwenen.
De Dhamma vraagt niet dat we een oude overtuiging vervangen door een nieuwe. Zij nodigt ons uit om te onderzoeken.
Niet om boeddhist te worden.
Niet om een identiteit op te bouwen.
Niet om een leerstelling te verdedigen.
Maar om rechtstreeks te zien hoe dukkha ontstaat, waardoor het wordt gevoed en hoe het kan ophouden.
Vormen mogen blijven zolang zij deze bevrijdende gerichtheid dienen. Wanneer zij zelf om geloof, gehechtheid of verdediging vragen, moeten ook zij onderzocht worden.
Niets staat buiten dat onderzoek. Ook onze eigen opvatting over wat de ‘ware Dhamma’ is niet.
Kijk aandachtig.
Onderzoek zorgvuldig.
Zie de dingen zoals ze zijn.
