
Ons hele leven ontvouwt zich als een ononderbroken stroom van momenten waarin zien, horen, ruiken, proeven, voelen en denken verschijnen en weer verdwijnen.
Een beeld verschijnt.
Een geluid wordt gehoord.
Een gedachte komt op.
Een gevoel wordt ervaren.
Daarna volgt een volgend moment.
Wanneer aandachtig gekeken wordt, blijkt dat het leven zich nergens anders afspeelt dan in deze voortdurende opeenvolging van ervaringen. In het geziene is slechts het geziene. In het gehoorde slechts het gehoorde. In wat gedacht wordt slechts wat opkomt en weer verdwijnt.
Wat wij gewoonlijk beschouwen als een vast en doorlopend leven, blijkt bij nader onderzoek een stroom van geconditioneerde verschijnselen te zijn die afhankelijk van oorzaken en voorwaarden ontstaan en vergaan.
Juist in het direct zien van deze stroom ontvouwt zich wijsheid (paññā; prajñā). Niet door iets aan de ervaring toe te voegen, maar door te doorzien dat alle geconditioneerde verschijnselen vergankelijk (anicca; anitya) en onbevredigend (dukkha; duḥkha) zijn, en dat niets wat verschijnt als ‘ik’, ‘mij’ of ‘mijn’ kan worden vastgehouden (anattā; anātman).
