
In de Mahāsatipaṭṭhāna Sutta wijst de Boeddha op het aandachtig beschouwen van het lichaam (kāya). Niet zoals wij zouden willen dat het is, maar zoals het werkelijk is. En dat schildert niet altijd een mooi beeld.
De aanwijzingen van de Boeddha hoeven daarbij geen gesloten meditatieprotocol te worden. Zij kunnen het vertrekpunt vormen voor Vrij Onderzoek: zorgvuldig kijken naar het lichaam, zonder verfraaiing, zonder afkeer en zonder identificatie. De Boeddha beschrijft de houding waarmee dit onderzoek plaatsvindt: ijverig en vurig (ātāpī), aandachtig (satimā), helder begrijpend (sampajāno), terwijl begeerte en ongenoegen ten aanzien van de wereld terzijde worden gesteld (vineyya loke abhijjhādomanassaṃ).
Vanuit die houding kunnen we het lichaam onderzoeken. Beschouw het bijvoorbeeld eens als een begraafplaats van wat ooit leefde. Ons dagelijks voedsel wordt opgenomen, verteerd, afgebroken en omgevormd. Wat gisteren nog plant of dier was, maakt vandaag tijdelijk deel uit van wat wij zonder aarzelen ‘mijn lichaam’ noemen. Ajahn Dhammadharo gebruikte hiervoor het indringende beeld van het lichaam als een begraafplaats, gevuld met de resten van dieren en voedsel, verteerd en omgevormd tot de bestanddelen en afscheidingen van het lichaam. ¹
Of kijk naar wat zich in onze ingewanden afspeelt. Miljarden micro-organismen leven er samen met wat wij ‘ons lichaam’ noemen. Zij maken deel uit van processen waarvan wij ons nauwelijks bewust zijn, maar zonder welke dit lichaam niet op dezelfde manier zou functioneren. En wanneer het lichaam sterft, gaan andere processen verder. Wat wij als één lichaam beschouwen, blijkt bij nader onderzoek een voortdurend veranderend samenspel van voorwaarden en processen.
Niets daarvan is blijvend. Niets daarvan staat op zichzelf. Niets daarvan kunnen we uiteindelijk vasthouden als: ❛ Dit ben ik. Dit is van mij. Dit is mijn zelf. ❜
Daar ligt de betekenis van zulke beschouwingen. Niet in het ontwikkelen van afkeer van het lichaam. Niet in walging. Niet in de gedachte dat het lichaam slecht of onwaardig zou zijn. De beschouwing van het onaantrekkelijke (asubha-bhāvanā) dient om fascinatie, begeerte en identificatie te doorbreken. Het lichaam wordt gezien voor wat het is: samengesteld, geconditioneerd en onderhevig aan ontstaan en vergaan.
Wat ontstaat, verandert. Wat ontstaat, vergaat.
Wanneer dit steeds duidelijker wordt gezien, kan ontnuchtering ontstaan (nibbidā). De fascinatie verliest haar greep. Passie verbleekt (virāga).Wat werd vastgehouden, kan worden losgelaten.
Dit is een andere manier om de dood een plaats te geven in ons leven. Niet door de dood uitsluitend te projecteren op hen die vóór ons gestorven zijn. Niet door vergankelijkheid te verbannen naar begraafplaatsen, herdenkingsdagen of een verre toekomst. Maar door haar hier te zien. In dít lichaam. In dít leven.
Anicca is de aard van het bestaan. Net als dukkha en anattā. Ons lichaam verandert terwijl we ernaar kijken. Cellen ontstaan en verdwijnen. Adem komt en gaat. Gewaarwordingen verschijnen en lossen op. Wat wij ‘mijn lichaam’ noemen, is geen onveranderlijk bezit, maar een geconditioneerd proces.
Vergankelijkheid vergt voortdurende aandacht.
De laatste woorden die de overlevering aan de Boeddha toeschrijft, vatten dit kernachtig samen: ❛ Vayadhammā saṅkhārā; appamādena sampādetha — Alle geconditioneerde dingen zijn onderhevig aan verval. Streef met niet-aflatende aandacht naar voltooiing ❜
Niet één keer kijken. Niet één keer begrijpen. Blijven kijken. Blijven onderzoeken. Blijven beoefenen. Tot wat eerst als onderricht wordt geleerd (pariyatti), door beoefening wordt onderzocht (paṭipatti) en uiteindelijk rechtstreeks wordt doorgrond (paṭivedha).
Niet denken over vergankelijkheid. Vergankelijkheid direct zien.
________
¹ Ajahn Dhammadharo, Frames of Reference (1948), p. 8.
