YATHĀBHŪTA — ZOALS HET WERKELIJK IS

Inzicht is niet méér weten. Het is helder zien wat zich daadwerkelijk voordoet.

Gewoonlijk kijken we naar onze ervaring doorheen begeerte, afkeer en onwetendheid. Wat we ervaren, eigenen we ons bovendien gemakkelijk toe: “dit is van mij”, “dit ben ik” “dit is mijn zelf”. 

De Dhamma nodigt ons uit om nauwkeuriger te kijken. Dieper. Inzichtelijker.

Wat ontstaat, vergaat. Wat vergankelijk is en aan verandering onderhevig, kan geen blijvende bevrediging bieden. En wat vergankelijk, onbevredigend en aan verandering onderhevig is, kan niet terecht beschouwd worden als: “dit is van mij”, “dit ben ik”, “dit is mijn zelf”.

Anicca. Dukkha. Anattā.

Vergankelijk. Onbevredigend. Niet-zelf.

Dat zijn geen filosofische ideeën die we moeten aannemen omdat de Boeddha ze onderwees. Ze moeten direct gezien en doorgrond worden in wat zich voordoet: in lichaam, gevoel, waarneming, mentale formaties en bewustzijn. Dáár vindt het onderzoek plaats. Niet ergens achter of buiten onze ervaring.

Daarom betekent inzicht niet dat we een verborgen werkelijkheid achter de verschijnselen ontdekken. We leren zien wat ontstaat en vergaat, maar wat door begeerte, afkeer en onwetendheid niet helder wordt gezien. We leren de dingen kennen en zien zoals ze werkelijk zijn — yathābhūtaṃ ñāṇadassanaṃ.

Wanneer dat zien zich verdiept, verandert onze verhouding tot wat wordt ervaren. Wat vergankelijk is, proberen we niet langer blijvend te maken. Wat aan verandering onderhevig is, proberen we niet langer vast te houden alsof het niet kan veranderen. Wat niet-zelf is, grijpen we niet langer vast als “ik”, “mij” of “mijn”.

Daar begint het loslaten (vossagga).

Niet omdat iemand ons zegt dat we moeten loslaten. Niet omdat loslaten een nieuwe overtuiging wordt. Maar omdat we beginnen te doorzien wat het vastgrijpen zelf teweegbrengt.

Werkelijk inzicht voegt daarom finaal niets toe. Het ontneemt ons de begoocheling waardoor we als blijvend beschouwen wat vergankelijk is, als bevredigend wat geen blijvende bevrediging kan bieden, en als “ik”, “mij” of “mijn” wat niet-zelf is.

En wat werkelijk wordt doorzien, hoeft niet langer te worden vastgegrepen.

Met het loslaten van het vastgrijpen verdwijnt wat dukkha in stand houdt.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.