IK. MIJ. MIJN.

Mijn lichaam. Mijn gevoelens. Mijn gedachten. Mijn herinneringen. Mijn leven. We gebruiken die woorden zo vanzelfsprekend dat we nauwelijks nog stilstaan bij wat we ermee zeggen. Er is een lichaam, en het is mijn lichaam. Er is een gevoel, en ik voel het. Er verschijnt een gedachte, en het is mijn gedachte. Zo wordt wat zich voordoet voortdurend bekeken in termen van ‘ik’, ‘mij’ en ‘mijn’.

De Boeddha nodigt ons uit om precies daar aandachtig naar te kijken. Niet om een nieuwe overtuiging aan te nemen dat er ‘geen ik bestaat’, maar om te onderzoeken wat we werkelijk als ‘ik’ en ‘mijn’ beschouwen. Neem het lichaam. Het is niet blijvend. Het verandert voortdurend en uiteindelijk vergaat het. We kunnen het ook niet eenvoudig bevelen: laat mijn lichaam zo zijn en niet anders. Het wordt ouder. Het kan ziek worden. Het sterft. Het verandert, vaak ongeacht onze wensen.

Hetzelfde geldt voor gevoelens, waarnemingen, mentale formaties en bewustzijn. Ze ontstaan wanneer de voorwaarden daarvoor aanwezig zijn. Ze veranderen en verdwijnen weer. Een aangenaam gevoel verschijnt en verdwijnt. Een gedachte komt op zonder dat we haar hebben uitgenodigd. Een stemming verandert. Wat we vandaag met grote zekerheid denken, kan morgen alweer anders zijn. En toch eigenen we ons dit alles toe als: ‘dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf’.

Precies die toe-eigening stelt de Boeddha ter discussie. Wat vergankelijk is, aan verandering onderhevig en daarom geen blijvende bevrediging kan bieden, is niet passend om te beschouwen als: ‘dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf’. Dat is de richting waarnaar anattāwijst. Niet naar een metafysische theorie over wat wij uiteindelijk ‘werkelijk’ zijn. Niet naar een nieuwe overtuiging die we tegenover het geloof in een zelf moeten plaatsen. De Boeddha vraagt ons te onderzoeken wat we voortdurend als ‘ik’, ‘mij’ en ‘mijn’ vastgrijpen.

Het probleem ligt daarbij niet in de woorden. We kunnen zonder enig bezwaar zeggen: ‘mijn lichaam doet pijn’ of ‘ik ben vandaag moe’. Conventionele taal is niet het probleem. Het probleem ligt in het vastgrijpen: in het toe-eigenen van wat ontstaat, verandert en vergaat alsof het werkelijk van ons is, alsof het ons blijvend kan toebehoren, alsof we terecht kunnen zeggen: ‘dit ben ik’.

Daarom vraagt de Dhamma ons te kijken. Naar het lichaam dat ontstaat, verandert en vergaat. Naar gevoelens, waarnemingen, mentale formaties en bewustzijn die verschijnen en weer verdwijnen. Naar dat hele voortdurende proces dat we zo vanzelfsprekend als ‘ik’, ‘mij’ en ‘mijn’ beschouwen. En dan wordt de vraag bijzonder concreet: waar is in dit voortdurende ontstaan, veranderen en vergaan iets dat we zonder voorbehoud kunnen vastgrijpen als ‘dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf’?

De Boeddha vraagt ons niet het antwoord te geloven. Hij vraagt ons te kijken. Te zien. Te doorzien.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.