
Onwetendheid (avijjā) betekent in de Dhamma niet dat iemand onvoldoende intelligent, ontwikkeld of geleerd is. Een mens kan over een grote intellectuele kennis beschikken en toch gevangen blijven in avijjā. Het gaat om een veel fundamenteler niet-weten: het niet kennen en niet doorzien van de werkelijkheid zoals ze werkelijk is.
De Boeddha verbindt avijjā uitdrukkelijk met het niet kennen van de Vier Edele Waarheden: niet werkelijk doorzien wat dukkha is, waardoor dukkha ontstaat, wat de beëindiging ervan betekent en welke weg naar die beëindiging leidt. Het gaat dus niet alleen om verkeerde kennis. Er is daadwerkelijk iets wat niet wordt gezien.
Maar dit niet-weten is evenmin een eenvoudig gebrek aan informatie. We kunnen weten dat alles vergankelijk is en toch leven alsof bepaalde dingen blijvend zijn. We kunnen begrijpen dat gehechtheid lijden veroorzaakt en ons toch vastklampen. We kunnen het begrip anattā kennen en ondertussen voortdurend denken en handelen vanuit ‘ik’, ‘mij’ en ‘mijn’. Intellectueel weten is nog geen werkelijk zien.
Daar ligt de kracht van avijjā. We zien verschijnselen, maar doorzien hun aard niet. We ervaren lichaam, gevoelens, waarnemingen, mentale formaties en bewustzijn, en eigenen ons deze processen toe alsof ze een blijvende kern bezitten. We zoeken zekerheid in wat voortdurend verandert en bevrediging in wat geen blijvende bevrediging kan schenken. Wat afhankelijk van oorzaken en voorwaarden ontstaat, behandelen we alsof het op zichzelf bestaat.
Avijjā, moha en micchā-diṭṭhi wijzen daarbij niet precies naar hetzelfde.
Avijjā is het fundamentele niet-weten, het niet-doorzien. Moha is begoocheling of verblinding: de geest ziet niet helder en raakt verward over de aard van wat wordt ervaren. Micchā-diṭṭhi is verkeerde visie: een onjuiste kijk op de werkelijkheid die als juist wordt aangenomen. Ze zijn nauw met elkaar verbonden, maar mogen niet eenvoudig als synoniemen worden beschouwd. Waar avijjā het heldere zien ontbreekt, kan moha de ervaring vertroebelen en kan micchā-diṭṭhizich vastzetten in verkeerde opvattingen.
Daarom is avijjā zo fundamenteel binnen afhankelijk ontstaan (paṭicca-samuppāda). Wanneer niet helder wordt gezien, ontstaan voorwaarden waaruit verdere processen zich kunnen ontwikkelen: toe-eigening, verlangen, vastklampen en wording. Zo blijft saṃsāra zichzelf voeden. Niet omdat ergens een onveranderlijk ‘ik’ van bestaan naar bestaan reist, maar omdat oorzaken en voorwaarden telkens opnieuw aanleiding geven tot verder ontstaan.
Ook verlangen en afkeer moeten zorgvuldig worden onderscheiden van onwetendheid. Lobha — begeerte of hebzucht —, dosa — afkeer of haat — en moha — begoocheling — worden de drie onheilzame wortels genoemd. Ze voeden handelen dat opnieuw dukkha voortbrengt. In de traditionele voorstelling van het Levenswiel worden ze afgebeeld als een haan, een slang en een varken die elkaar in beweging houden.
Maar achter al dat grijpen en afweren ligt steeds het probleem van niet helder zien. Wanneer iets aangenaams verschijnt, zien we niet alleen het aangename: er ontstaat gemakkelijk de neiging het te willen behouden. Wanneer iets onaangenaams verschijnt, ontstaat de neiging het weg te willen hebben. We vergeten dat ook deze ervaring afhankelijk ontstaan is, geen eigenaar heeft en reeds aan verandering onderhevig is.
Daarom wordt avijjā uiteindelijk niet opgeheven door méér informatie te verzamelen. Studie kan richting geven. Woorden kunnen aanwijzen. Een leraar kan helpen herkennen wat nog niet wordt gezien. Maar de beslissende beweging ligt in het zelf zien en doorzien.
Dat is vijjā: weten dat niet louter conceptueel is, maar voortkomt uit helder zien.
We zien het ontstaan. We zien het vergaan. We zien hoe verlangen ontstaat wanneer gevoel wordt toegeëigend. We zien hoe vastklampen volgt wanneer we niet loslaten. En we zien dat wat we gewoonlijk ‘ik’ en ‘mijn’ noemen geen blijvende, onafhankelijke kern vormt, maar een voortdurend veranderend samenspel van oorzaken en voorwaarden.
Zo krijgt ‘onwetendheid’ binnen de Dhamma haar werkelijke betekenis. Niet domheid. Niet eenvoudigweg een gebrek aan kennis. Ook niet uitsluitend een verkeerde overtuiging.
Het is niet zien.
En de weg uit avijjā begint precies daar waar de Dhamma ons telkens opnieuw naartoe brengt: bij het aandachtig en rechtstreeks zien van de dingen zoals ze werkelijk zijn — yathābhūta.
