
Kan inzicht ontstaan zonder voorafgaande concentratie? Zonder eerst de diepe meditatieve absorpties (jhāna’s) te ontwikkelen? Volgens de theravāda-traditie is dat mogelijk. Deze benadering wordt droog inzicht (sukkha-vipassanā) genoemd. Een term uit de latere commentaartraditie. Het is geen afzonderlijke meditatiemethode die de Boeddha in de vroege sutta’s onder deze naam onderwees.
Droog inzicht betekent niet dat concentratie (samādhi) overbodig is. Het betekent dat voorafgaande beheersing van de jhāna’s geen noodzakelijke voorwaarde is om inzicht(vipassanā) te ontwikkelen. Het onderscheid is fundamenteel.
De beoefenaar richt zijn aandacht rechtstreeks op de verschijnselen die zich elk moment én van moment tot moment voordoen. Lichamelijke gewaarwordingen. Gevoelens. Gedachten. Mentale toestanden. Niet om ze te beheersen. Niet om ze vast te houden. Maar om ze te zien zoals ze werkelijk zijn (yathābhūta).
Door aanhoudende opmerkzaamheid (sati) kan momentane concentratie (khaṇika-samādhi) ontstaan. Een begrip dat vooral in de latere theravāda-commentaren wordt uitgewerkt. Het object verandert voortdurend. De aandacht blijft voldoende stabiel om het ontstaan en vergaan van verschijnselen helder waar te nemen.
Deze concentratie hoeft niet vooraf volledig ontwikkeld te zijn. Ze groeit tijdens de beoefening zelf. Opmerkzaamheid ondersteunt concentratie. Concentratie verdiept opmerkzaamheid. Beide ondersteunen het ontstaan van inzicht.
Maar aandachtig waarnemen alleen is geen bevrijdend inzicht. Vipassanā betekent het rechtstreeks doorzien van de drie karakteristieken. Vergankelijkheid (anicca). Onbevredigendheid (dukkha). Niet-zelf (anattā). Niet als filosofische begrippen. Niet als overtuigingen. Maar als rechtstreeks ervaren kenmerken van de verschijnselen: alle geconditioneerde verschijnselen zijn vergankelijk en onbevredigend; alle verschijnselen zijn niet-zelf.
Hier ligt de essentie. Niet uitsluitend de duur van de concentratie is beslissend. Niet de diepte van de meditatieve absorptie. Maar de helderheid waarmee de werkelijkheid wordt gezien. Zonder toe-eigening. Zonder identificatie. Zonder het voortdurende verhaal van ‘ik’, ‘mij’ en ‘mijn’.
Dit betekent niet dat concentratie onbelangrijk is. Een verstrooide geest ziet niet helder. Zonder voldoende stabiliteit blijft waarneming oppervlakkig. Concentratie is noodzakelijk. Maar haar ontwikkeling hoeft niet als afzonderlijke, diepgaande oefening aan het inzicht vooraf te gaan.
Samatha en vipassanā zijn daarom geen tegengestelde wegen. Kalmte ondersteunt inzicht. Inzicht kan op zijn beurt kalmte verdiepen. Hun onderlinge verhouding kan verschillen. Hun uiteindelijke doel niet: het uitdoven van begeerte, afkeer en onwetendheid.
Droog inzicht is dus geen inzicht zonder concentratie. Het is inzicht zonder voorafgaande beheersing van de jhāna’s. Geen vrijbrief voor oppervlakkige opmerkzaamheid. Geen kortere weg naar bevrijding.
Zelf beoefen ik beide benaderingen. Welke ik kies, hangt ondermeer af van de tijd die mij ter beschikking staat. Wanneer de omstandigheden het toelaten, ontwikkel ik eerst kalmte en concentratie (samatha-bhāvanā), waarbij de vormelijke meditatieve absorpties (jhāna’s) een mogelijke verdieping vormen. Op andere momenten richt ik mijn aandacht rechtstreeks op de verschijnselen (vipassanā-bhāvanā), zonder voorafgaande ontwikkeling van diepe concentratie. Niet zonder concentratie. Maar zonder dat de jhāna’s als voorafgaande voorwaarde gelden. Het zijn geen twee tegengestelde wegen. Wel twee benaderingen die elkaar ondersteunen. De werkwijze verschilt. De essentie blijft dezelfde.
De weg wordt niet bepaald door de meditatieve toestand die men bereikt. Maar door het inzicht dat onwetendheid (avijjā) doorbreekt. Niet worden. Niet bezitten. Niet vasthouden. Maar zien. De werkelijkheid zien zoals ze is. Yathābhūta-ñāṇadassana.
