ALS ER GEEN ‘ZELF’ IS, WAT GEBEURT ER DAN MET KAMMA?

Volgens de Dhamma is kamma (karma) geen bezit van een blijvend zelf en ook geen onzichtbare substantie die van leven tot leven wordt meegedragen. Kamma betekent in essentie intentie (cetanā; cetanāḥ), die zich uitdrukt in gedachten, woorden en handelingen. 

Elke gedachte, elk woord en elke handeling die door verlangen, afkeer of onwetendheid wordt gekleurd, draagt bij aan een voortdurend netwerk van oorzaken en voorwaarden dat toekomstige ervaringen en nieuw ontstaan mee vormgeeft.

Bij de dood wordt er niets overgedragen van de ene persoon naar een volgende, omdat er geen onveranderlijke persoon bestaat. Toch eindigt de causale stroom niet zolang onwetendheid (avijjā; avidyā) en verlangen (taṇhā; tṛṣṇā) aanwezig zijn. De gevolgen van handelingen blijven werkzaam als voorwaarden voor nieuw ontstaan.

Zoals een echo voortkomt uit een geluid zonder dat het geluid zelf zich verplaatst, zo ontvouwen de gevolgen van kamma zich zonder dat er een blijvende entiteit doorheen de tijd reist. 

Er is continuïteit, maar geen onveranderlijke identiteit. Geen ‘ik’ dat verder gaat.

Het diep doorzien hiervan bevrijdt van twee uitersten: het geloof in een eeuwige ziel (sassatavāda; śāśvatavāda) en de gedachte dat bij de dood alles vernietigd wordt (ucchedavāda; id.). Er zijn daden en hun gevolgen, een stroom van oorzaken en voorwaarden, maar nergens daarin is een blijvend zelf te vinden dat eigenaar is van kamma.

En hierin ligt juist een onverwachte vrijheid: wat wij doen heeft gevolgen, maar er is geen blijvende eigenaar van die gevolgen. Er ontvouwt zich een stroom van oorzaken (hetu; id.) en voorwaarden(paccayā; pratyaya) volgens de wet van afhankelijk ontstaan (paṭicca-samuppāda; pratītya-samutpāda). Er is het stille ontvouwen van deze causale stroom, totdat ook onwetendheid en verlangen volledig uitdoven.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.