
Je hoeft niets te worden. De Dhamma vraagt niet om van jezelf iemand anders te maken. Maar begrijp dit goed. De Boeddha zegt niet dat er niets te doen valt. Integendeel. Dukkha moet doorgrond worden. De oorsprong ervan moet worden losgelaten. De beëindiging ervan moet worden verwerkelijkt. Het pad moet worden ontwikkeld. De Dhamma is geen uitnodiging tot passiviteit.
De valkuil ligt elders. Ook van de beoefening kunnen we iets maken waaraan het ‘ik’ zich vastklampt. Ik wil rustiger worden. Wijzer. Zuiverder. Een betere beoefenaar. Een gevorderde yogi. Iemand die uiteindelijk verlichting bereikt. Zo kan zelfs het streven naar bevrijding ongemerkt worden toegeëigend als een project van het ‘ik’: iemand worden, iemand bereiken, iemand zijn. Dan raakt de beoefening verweven met bhava-taṇhā: begeerte naar worden, naar bestaan.
De Boeddha wijst in een andere richting. Wat we voortdurend als ‘ik’, ‘mij’ en ‘mijn’ toe-eigenen, moeten we leren zien zoals het werkelijk is: vergankelijk (anicca), onbevredigend (dukkha) en niet passend om te beschouwen als ‘dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf’ (anattā).We hoeven geen nieuwe identiteit te construeren. We moeten leren doorzien wat we telkens opnieuw als onze identiteit vastgrijpen.
Dat vraagt beoefening. Het Edele Achtvoudige Pad moet worden ontwikkeld. Onheilzame kwaliteiten moeten worden losgelaten en heilzame kwaliteiten ontwikkeld. Sīla, samādhi en paññā ontstaan niet door achterover te leunen en te wachten. Maar die ontwikkeling staat in dienst van loslaten. We beoefenen niet om een nieuwe identiteit te verwerven. We beoefenen om begeerte, gehechtheid en onwetendheid te doorzien en los te laten. Om datgene wat dukkha doet ontstaan niet langer te voeden.
Daarom is het pad geen reis naar een betere versie van jezelf. Het is een weg van loslaten. Je hoeft niemand te worden. Maar er valt wel iets te doen: loslaten. Vossagga.
