
We spreken gemakkelijk over meditatie. We mediteren twintig minuten, een uur, een ochtend of een hele dag. We volgen een methode, nemen een houding aan en richten de aandacht op een bepaald object.
Maar misschien is er een fundamentelere vraag: wat zijn we eigenlijk aan het ontwikkelen?
Een belangrijk woord in de Dhamma is bhāvanā: ontwikkelen, cultiveren, tot ontwikkeling brengen. Dat verschuift de aandacht van de uiterlijke vorm van de beoefening naar wat er door die beoefening daadwerkelijk in de geest gebeurt.
Want niet alles wat ontwikkeld wordt, leidt naar bevrijding.
Ook begeerte kan worden ontwikkeld. Ook afkeer kan worden gevoed. Ook overtuigingen, gewoonten en het gevoel iemand te zijn die spiritueel vooruitgaat, kunnen steeds sterker worden. Zelfs een meditatiebeoefening kan ongemerkt onderdeel worden van een project van ‘ik’, ‘mij’ en ‘mijn’: mijn methode, mijn ervaringen, mijn vooruitgang, mijn inzicht.
Daarom is de vraag niet alleen: mediteer ik?
De vraag is: wat wordt hierdoor gecultiveerd?
Wordt opmerkzaamheid sterker? Wordt de geest helderder en stabieler? Ontstaat er meer inzicht in wat opkomt en weer verdwijnt? Worden begeerte, afkeer en onwetendheid beter herkend wanneer ze zich voordoen? Wordt vastgrijpen duidelijker zichtbaar?
En leren we los te laten?
In de Dhamma is ontwikkeling daarom geen beweging naar een steeds beter of spiritueler zelf. Het pad ontwikkelt kwaliteiten die het mogelijk maken de werkelijkheid helderder te zien: juist begrip, opmerkzaamheid, concentratie, onderzoek en wijsheid. Niet om iemand te worden, maar om te doorzien wat het proces van worden en vastgrijpen gaande houdt.
Daarmee krijgt ook meditatie haar juiste plaats. Een methode kan helpen. Een houding kan helpen. Stilte kan helpen. Herhaling kan helpen. Maar geen enkele vorm is op zichzelf het doel.
De waarde van de beoefening ligt uiteindelijk niet in het feit dat we kunnen zeggen dat we mediteren.
Ze ligt in wat we leren zien.
En in wat, door dat zien, niet langer hoeft te worden gevoed.
