
Er bestaan vele manieren om de Dhamma te beoefenen. Verschillende tradities leggen verschillende accenten. Leraren gebruiken verschillende methoden. Wat voor de ene beoefenaar behulpzaam is, hoeft voor een andere niet op dezelfde manier te werken.
Daar hoeft niets problematisch aan te zijn.
Het probleem ontstaat wanneer de methode zelf de maatstaf wordt.
Dan vragen we niet langer wat de beoefening zichtbaar maakt, maar of ze correct wordt uitgevoerd. We raken gehecht aan een techniek, een houding, een traditie of een bepaalde manier van mediteren. En ongemerkt kan iets wat bedoeld was om vastgrijpen te doorzien, zelf iets worden waaraan we ons vastgrijpen.
Mijn methode. Mijn traditie. Mijn manier.
De Dhamma nodigt ons uit verder te kijken.
Een methode kan richting geven. Ze kan de aandacht verzamelen, opmerkzaamheid versterken en omstandigheden scheppen waarin lichaam, gevoelstoon, geest en dhamma’s helderder kunnen worden onderzocht. Een goede methode kan daarom bijzonder waardevol zijn.
Maar ze blijft een middel.
De vraag is niet alleen of een methode bij ons past. Ook niet of ze aangenaam aanvoelt, bijzondere ervaringen voortbrengt of ons het gevoel geeft vooruitgang te boeken.
De diepere vraag is: waar leidt ze naartoe?
Helpt deze beoefening mij begeerte te herkennen wanneer ze ontstaat? Afkeer te herkennen? Onwetendheid te doorzien? Wordt duidelijker hoe gevoelstoon tot begeerte kan leiden en hoe begeerte tot vastgrijpen? Leer ik zien wat ontstaat en weer vergaat?
En wordt het gemakkelijker om los te laten?
Dat betekent niet dat iedere methode die iemand behulpzaam vindt daarom Dhamma-beoefening is. Vrijheid in de beoefening betekent niet dat richting er niet toe doet. De Boeddha wees een pad aan: een ontwikkeling van juist begrip, ethisch handelen, opmerkzaamheid, concentratie en wijsheid die gericht is op het doorgronden en beëindigen van dukkha.
Binnen dat pad kan de vorm verschillen. Maar de vorm bepaalt niet de waarheid van wat wordt gezien.
Uiteindelijk is een methode als een hulpmiddel dat ons helpt beter te kijken. Wanneer ze haar werk doet, brengt ze niet zichzelf steeds meer op de voorgrond.
Ze helpt ons zien wat er werkelijk is. En wat gezien wordt, moet uiteindelijk ook kunnen worden losgelaten. Zo bevrijden we onszelf.
