AAN DE VRUCHTEN WORDT DE BEOEFENING ZICHTBAAR

Hoe weten we of onze beoefening werkelijk ergens toe leidt?

We kunnen vele uren mediteren. We kunnen teksten bestuderen, retraites volgen, een methode nauwkeurig beoefenen en vertrouwd raken met de taal van de Dhamma. We kunnen diepe rust ervaren of momenten van bijzondere helderheid.

Maar geen van deze dingen is op zichzelf de maatstaf.

De vraag is eenvoudiger.

Wat gebeurt er met begeerte, afkeer en onwetendheid?

Wordt begeerte sneller herkend wanneer ze ontstaat? Wordt afkeer minder gemakkelijk gevoed? Zien we duidelijker hoe vastgrijpen zich vormt rond gevoelens, gedachten, opvattingen en ervaringen? Wordt de behoefte om alles als ‘ik’, ‘mij’ en ‘mijn’ toe te eigenen minder vanzelfsprekend?

Kunnen we gemakkelijker loslaten?

Daar worden de vruchten van de beoefening zichtbaar.

Niet noodzakelijk in spectaculaire ervaringen, maar vaak in heel gewone momenten. Een onaangenaam woord hoeft niet onmiddellijk een conflict te worden. Een aangename ervaring hoeft niet meteen te worden vastgegrepen. Een gedachte hoeft niet geloofd te worden alleen omdat ze verschijnt. Een gevoel hoeft niet tot een verhaal over ‘mij’ te worden gemaakt.

Er ontstaat een kleine ruimte waarin iets kan worden gezien voordat het opnieuw wordt vastgegrepen.

Maar ook dit vraagt om nauwkeurigheid.

Het doel van de Dhamma is niet eenvoudigweg een aangenamer, rustiger of beter functionerend leven. Minder begeerte, minder afkeer en minder verwarring zijn betekenisvolle vruchten van de beoefening, maar ze wijzen verder.

Naar het beëindigen van wat dukkha in stand houdt.

Daarom beoordeelt de beoefenaar het pad niet alleen aan de hand van wat tijdens meditatie wordt ervaren. De werkelijke toets verschijnt ook wanneer iemand ons tegenspreekt, wanneer iets wat we verlangen niet gebeurt, wanneer iets aangenaams verdwijnt, of wanneer het leven anders loopt dan we hadden gehoopt.

Juist daar wordt zichtbaar wat nog wordt vastgegrepen.

En juist daar kan het worden onderzocht.

De Dhamma vraagt daarom uiteindelijk niet hoeveel we hebben beoefend, hoeveel we weten of welke ervaringen we hebben gehad.

Ze brengt ons steeds terug naar dezelfde beweging.

Ontstaat er vastgrijpen? Wordt het gezien? Wordt het gevoed? Of kan het worden losgelaten?

De vruchten van de beoefening worden niet alleen zichtbaar in wat we tijdens meditatie ervaren. Ze worden zichtbaar in wat niet langer hoeft te worden vastgegrepen. En uiteindelijk in wat niet langer opnieuw hoeft te ontstaan.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.