VOORBIJ ‘ZIJN’ EN ‘WORDEN’

Alles wat ontstaat, vergaat. Alles wat afhankelijk is van oorzaken en voorwaarden, is vergankelijk(anicca). Niets wat geconditioneerd is, kan blijvende zekerheid of voldoening bieden. Niets blijft zoals het is. Niets kan voor altijd worden vastgehouden. Dit is de aard van het geconditioneerde bestaan. Dit is de aard van het worden (bhava).

Worden is meer dan veranderen. Het verwijst ook naar het geconditioneerde bestaan zelf. Naar saṃsāra. Naar het ontstaan en voortduren van bestaan, afhankelijk van oorzaken en voorwaarden. Zonder onafhankelijke, onveranderlijke essentie.

Waar worden is, is vergankelijkheid. En wat vergankelijk is, kan geen blijvende bevrediging schenken. Wanneer we ons vastklampen aan wat voortdurend verandert, ontstaat dukkha. Niet omdat verandering op zichzelf verkeerd is, maar omdat we verlangen dat het veranderlijke blijvend zou zijn.

Maar is ‘zijn’ dan iets anders dan worden? Bestaat er misschien een toestand van eenvoudigweg zijn, voorbij de voortdurende beweging van verandering?

Kijk aandachtig. Wat bedoelen we wanneer we zeggen: ‘Ik ben’?

Het lichaam verandert. Gevoelens ontstaan en verdwijnen. Waarnemingen verschuiven. Gedachten komen en gaan. Bewustzijn ontstaat afhankelijk van voorwaarden. Nergens binnen deze processen vinden we een onafhankelijke, onveranderlijke entiteit die we terecht als onszelf kunnen beschouwen.

Wat we gewoonlijk ‘zijn’ noemen, is geen vaste toestand buiten het ‘worden’. Het is een conventionele aanduiding voor een voortdurend proces van ontstaan en vergaan. Wat een stabiel bestaan lijkt, blijkt bij aandachtig onderzoek een opeenvolging van veranderende verschijnselen.

‘Zijn’, begrepen als geconditioneerd bestaan, is daarom onlosmakelijk verbonden met ‘worden’.

Maar hier ligt niet de essentie van de Dhamma. De Boeddha nodigt ons niet uit tot een filosofische beschouwing over ‘zijn’ en ‘worden’. Hij nodigt ons uit om te onderzoeken hoe dukkha ontstaat. Hoe dukkha in stand wordt gehouden. En hoe dukkha kan ophouden.

Daar gaat het om.

Het probleem is niet dat alles verandert. Het probleem is dat we ons vastklampen (upādāna)aan wat verandert. Dat we willen behouden wat voorbijgaat. Dat we iets willen worden. Iets willen bereiken. Iets willen blijven. Dat we een blijvende identiteit zoeken binnen een werkelijkheid waarin niets blijvend is.

Dit is verlangen naar worden (bhava-taṇhā). Het verlangen om te bestaan, voort te duren en een identiteit veilig te stellen.

Maar ook het tegenovergestelde verlangen leidt niet tot bevrijding. De wens om niet meer te bestaan, om te verdwijnen of om te vernietigen wat we als onszelf beschouwen, is verlangen naar niet-worden (vibhava-taṇhā).

Samen met het verlangen naar zintuiglijk genot (kāma-taṇhā) vormen zij de drie vormen van verlangen (taṇhā) die de Boeddha aanwijst als oorsprong van dukkha.

De bevrijding waarnaar de Boeddha verwijst, ligt daarom niet in het kiezen tussen zijn en niet-zijn. Evenmin ligt zij in het bereiken van een bijzondere toestand van zuiver zijn. Zij ligt in het uitdoven van het verlangen en de gehechtheid die het geconditioneerde bestaan tot een bron van dukkha maken.

Dit inzicht verandert de richting van onze beoefening.

De wezenlijke vraag is niet langer: ‘Wat moet ik worden?’ Evenmin is het: ‘Hoe kan ik eenvoudigweg zijn?’ De wezenlijke vraag wordt: ‘Hoe ontstaat dukkha? Wat houdt dukkha in stand? En wat gebeurt er wanneer de voorwaarden ervan ophouden?’

Dit is geen theoretisch onderzoek. Het is een uitnodiging om rechtstreeks te kijken. Om aandachtig waar te nemen wat zich van moment tot moment voordoet.

Observeer het verlangen om iets te worden. Observeer het verlangen om iets te blijven. Observeer het verlangen om aan iets te ontsnappen.

Zie hoe deze verlangens ontstaan. Zie hoe ze verwachtingen scheppen. Hoe ze identificatie, weerstand en angst voortbrengen. Hoe het denken in termen van ‘ik’, ‘mij’ en ‘mijn’ het vastklampen versterkt.

En onderzoek wat er gebeurt wanneer deze bewegingen niet langer worden gevoed.

Wanneer verlangen wordt herkend zonder het te volgen. Wanneer gehechtheid wordt gezien zonder haar verder te versterken. Wanneer een ervaring wordt waargenomen zoals ze is, zonder haar te willen vasthouden of afwijzen.

Hier krijgt het zien zijn bevrijdende betekenis.

Niet omdat zien een bijzondere toestand schept die we moeten bereiken. Maar omdat helder inzicht in de vergankelijke (anicca), onbevredigende (dukkha) en zelfloze (anattā) aard van verschijnselen de onwetendheid ondermijnt waaruit verlangen en gehechtheid voortkomen.

Dit is de dingen zien zoals ze werkelijk zijn (yathābhūta).

Wanneer we de dingen zien zoals ze werkelijk zijn, beginnen we te begrijpen hoe verlangen ontstaat. Hoe verlangen tot gehechtheid leidt. Hoe gehechtheid het worden (bhava) voedt. En hoe dit proces dukkha telkens opnieuw voortbrengt.

Maar we zien ook het omgekeerde. Wanneer onwetendheid plaatsmaakt voor inzicht, verliest verlangen zijn voedingsbodem. Wanneer verlangen ophoudt, houdt ook het vastklampen op. Wanneer het vastklampen ophoudt, wordt het worden niet langer gevoed.

Dit is de richting van het pad. Niet naar een andere vorm van ‘zijn’. Niet naar een betere vorm van ‘worden’. Maar naar het uitdoven van de oorzaken die dukkha in stand houden.

Dit uitdoven noemt de Boeddha nibbāna.

Nibbāna is geen nieuwe identiteit. Geen toestand die een ‘ik’ kan bezitten. Geen eeuwig, onveranderlijk zelf. Evenmin is het de vernietiging van een werkelijk bestaand zelf.

Het is het uitdoven van begeerte, afkeer en onwetendheid. Het einde van het vastklampen. De bevrijding uit dukkha.

Dat betekent niet dat inspanning overbodig is. Juiste inspanning (sammā-vāyāma) maakt deel uit van het Edele Achtvoudige Pad. Maar er is een wezenlijk verschil tussen aandachtige beoefening die tot inzicht leidt en het verlangen om iemand te worden die iets bereikt heeft.

Ook van bevrijding mogen we geen nieuw voorwerp van verlangen maken. Wie bevrijding nastreeft als iets wat een ‘ik’ ooit zal bezitten, blijft gevangen in hetzelfde proces van worden waaraan hij probeert te ontsnappen.

De beoefening vraagt geen nieuwe identiteit. Geen betere versie van onszelf. Geen bijzondere toestand waarin we ons voorgoed kunnen vestigen.

Zij vraagt om aandachtig te onderzoeken wat zich voordoet. Om te zien hoe verschijnselen ontstaan en vergaan. Om te begrijpen hoe verlangen en gehechtheid dukkha voortbrengen. En om te ervaren hoe het loslaten van gehechtheid de voorwaarden voor dukkha verzwakt.

Dit is de praktische betekenis van de Dhamma. Niet de leer als doel op zichzelf. Niet de beoefening als een prestatie. Niet het bereiken van een bijzondere toestand van zijn of worden. Maar de beëindiging van dukkha.

De Dhamma is geen bestemming waarin we ons moeten vestigen. Zij is de weg die ons helpt te zien, te begrijpen en los te laten. Zoals een vlot dat dient om de Andere Oever te bereiken, niet om het vervolgens als een bezit met ons mee te dragen.

Hier ligt de diepste betekenis van het zien van de werkelijkheid zoals ze is (yathābhūta). Niet het verzamelen van kennis. Niet het bereiken van een bijzondere ervaring. Maar het inzicht dat de voorwaarden voor dukkha doet uitdoven.

Wanneer dit werkelijk wordt begrepen, verliest de tegenstelling tussen ‘zijn’ en ‘worden’ haar greep op de geest. Niet omdat we een definitief antwoord hebben gevonden op een filosofische vraag, maar omdat we beginnen te doorzien wat ons aan dukkha bindt.

De essentie ligt daarom niet in wat we zijn. Niet in wat we worden. Niet in wat we hopen ooit te bereiken. De essentie ligt in het zien, begrijpen en loslaten. Niet iets worden. Niet proberen iets te zijn.

Maar zien hoe dukkha ontstaat. Begrijpen wat dukkha in stand houdt. En ervaren hoe het vastklampen kan ophouden. Tot begeerte, afkeer en onwetendheid volledig zijn uitgedoofd. 

Dat is nibbāna. Dat is de bevrijding uit dukkha.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.