
De Boeddha nodigde ons uit om alle verschijnselen te onderzoeken. Ze te observeren. Ze te doorgronden. Ze te zien zoals ze werkelijk zijn. Zonder voorkeur. Zonder identificatie. Zonder gehechtheid.
Waarom zouden boeddhistische structuren immers aan dit onderzoek mogen ontsnappen?
Tradities. Scholen. Kloosters. Organisaties. Rituelen. Hiërarchieën. Leerstellingen. Alle ontstaan door oorzaken en voorwaarden. Alle zijn afhankelijk van omstandigheden. Alle zijn onderhevig aan verandering. Geen enkele bezit een onafhankelijke, blijvende essentie.
Ook zij zijn geconditioneerde verschijnselen. Anicca. Dukkha. Anattā.
Satipaṭṭhāna leert ons het lichaam als lichaam te observeren. Gevoelens als gevoelens. De geest als geest. Dhamma’s als dhamma’s. Zonder er een ‘zelf’ aan toe te voegen. Zonder ons toe te eigenen wat wordt waargenomen. Zonder ervaring tot identiteit te maken.
Pas diezelfde helderheid toe op boeddhistische structuren.
Observeer hoe ze ontstaan. Hoe ze in stand worden gehouden. Hoe ze veranderen. Hoe ze zichzelf verdedigen. Hoe gehechtheid groeit rond namen, vormen, gezag en verbondenheid. Hoe wat begon als een middel geleidelijk een doel op zich kan worden.
Onderzoek zonder vijandigheid. Zonder verblindende eerbied. Zonder afwijzing die het zicht vertroebelt.
Een traditie kan de beoefening ondersteunen. Een klooster kan beschutting bieden. Een leraar kan de weg naar bevrijding wijzen. Een structuur kan de Dhamma bewaren en doorgeven. Hun bruikbaarheid staat niet ter discussie. Hun vermeende onschendbaarheid voor onderzoek wel.
Ook de officiële erkenning van het boeddhisme door overheden ontsnapt niet aan dit onderzoek. Erkenning kan bescherming bieden. Rechtszekerheid. Financiële middelen. Maatschappelijke zichtbaarheid. Maar ze schept ook structuren. Vertegenwoordiging. Regels. Belangen. Afhankelijkheden. Wie spreekt namens het boeddhisme? Wie bepaalt wat erkend wordt? Wie blijft buiten beeld? En wat gebeurt er wanneer het behoud van erkenning belangrijker wordt dan de bevrijdende werking van de Dhamma? Onderzoek dit zonder vooringenomenheid. Zonder erkenning te verheerlijken. Zonder haar te verwerpen. Ook officiële erkenning is een geconditioneerd verschijnsel. Geen bewijs van waarheid. Geen garantie op wijsheid. Geen maatstaf voor bevrijding.
Het gevaar begint wanneer de structuur op zichzelf heilig wordt. Wanneer loyaliteit het onderzoek vervangt. Wanneer conformisme het inzicht verdringt. Wanneer de verdediging van de instelling belangrijker wordt dan het doorzien van dukkha en het beëindigen ervan.
Dan wordt het vlot niet langer gebruikt om de rivier over te steken. Het wordt op de schouders meegedragen.
Hetzelfde onderzoek moet zich ook naar binnen richten. Wie verdedigt deze traditie? Wie heeft behoefte om ergens bij te horen? Wie vreest de bevraging? Wie beweert de waarheid te bezitten? Observeer de gehechtheid. Observeer de angst. Observeer de identificatie. Observeer het ontstaan van ‘ik’, ‘mij’ en ‘mijn’.
Vervang de ene gehechtheid niet door een andere. Afwijzing kan even sterk binden als verering. Het gaat er niet om structuren te vernietigen. Evenmin om ze tegen elke prijs te behouden. Het gaat erom ze helder te zien. Hun voorwaardelijkheid te herkennen. Hun bruikbaarheid te begrijpen. En ze los te laten wanneer ze hindernissen worden.
Dit betekent: de dingen zien zoals ze werkelijk zijn. Yathābhūta. Niet alleen in lichaam en geest. Niet alleen in de wereld om ons heen. Maar ook binnen de tradities die juist dit ‘zien’ onderwijzen.
Niets wordt van onderzoek uitgesloten. Zelfs het boeddhisme niet.
De maatstaf is niet of een structuur blijft bestaan. De maatstaf is of ze bijdraagt tot het beëindigen van dukkha. Dát is de lakmoesproef.
