
Er komt een ogenblik waarop je niet langer kunt doen alsof je het niet ziet. Alles wat ontstaat, vergaat. Het lichaam wordt ouder. Wat gezond is, kan ziek worden. Wat bijeenkomt, valt uiteen. Wie geboren wordt, sterft. We weten dit. Maar weten is nog geen zien. Zolang vergankelijkheid slechts een gedachte blijft, kunnen we rustig verder leven alsof er niets aan de hand is. Alsof er nog tijd genoeg is. Alsof wat we verzamelen, opbouwen en beschermen uiteindelijk stand zal houden.
Tot het ons werkelijk raakt. Dat is saṃvega. Saṃvega is geen angst voor het leven. Geen pessimisme. Geen afkeer van de wereld. Het is de existentiële schok die ontstaat wanneer we werkelijk zien wat we altijd al wisten: dat niets waaraan we ons vastklampen blijvend houvast kan bieden.
De Boeddha kende die schok. Ouderdom. Ziekte. Dood. Niet als abstracte begrippen, maar als werkelijkheid. En precies daarin ligt de kracht van saṃvega. Het maakt duidelijk dat de beoefening geen vrijblijvende bezigheid is. Geen hobby voor wanneer er tijd overblijft. Geen verzameling ideeën waarmee we ons wereldbeeld kunnen verfraaien. Er is dukkha. Er is het ontstaan van dukkha. Er is de beëindiging van dukkha. En er is een weg die naar die beëindiging leidt. Er valt dus werk te doen.
Maar dat vraagt om waakzaamheid. Want zelfs rond de Dhamma kunnen we nieuwe structuren bouwen waaraan we ons vervolgens vastklampen. Onze traditie. Onze sangha. Ons centrum. Onze leraar. Onze methode. Onze overtuiging. Daar is op zichzelf niets verkeerd mee. Structuren kunnen noodzakelijk zijn om de Dhamma te bewaren, te beoefenen en door te geven. Maar ze blijven middelen. Geen doel. Wanneer het behoud van de structuur belangrijker wordt dan datgene waarvoor ze bestaat, dreigen we precies hetzelfde te doen wat we overal elders doen: iets geconditioneerd tot houvast maken.
Saṃvega herinnert ons eraan waarvoor de Dhamma dient. Niet om iets op te bouwen dat eeuwig blijft bestaan, maar om te zien. Om te doorzien. Om los te laten. Daarom staat saṃveganiet alleen. In de boeddhistische traditie wordt het verbonden met pasāda: helder vertrouwen. Het besef van vergankelijkheid hoeft ons niet moedeloos te maken. Het kan juist de helderheid geven om onze aandacht te richten op wat werkelijk van belang is.
We hoeven de wereld niet te ontvluchten. We moeten ophouden haar te vragen wat zij ons onmogelijk kan geven: duurzaamheid in wat vergankelijk is, veiligheid in wat geconditioneerd is, een blijvend ‘zelf’ in wat zonder vaste essentie ontstaat en vergaat. Saṃvega is het ogenblik waarop dit niet langer alleen begrepen wordt. Het wordt gevoeld.
Alles wat ontstaat, vergaat. En plotseling wordt de vraag niet meer: hoeveel tijd heb ik nog? Maar: wat doe ik met de tijd die er is?
Er valt geen tijd te verliezen.
