OOK DE DHAMMA IS GEEN BEZIT

Alles wat ontstaat afhankelijk van oorzaken en voorwaarden, is vergankelijk. Alles wat geconditioneerd is, kan geen blijvende bevrediging bieden. En niets kan terecht worden beschouwd als een onafhankelijk, onveranderlijk zelf.

Geldt dit ook voor de Dhamma? Voor de woorden van de Boeddha? Voor zijn onderricht? Voor de geschriften waarin het werd vastgelegd? Voor de tradities die eruit voortkwamen? Voor de methoden waarmee het wordt beoefend?

Ja.

Ook het onderricht verschijnt binnen de geconditioneerde werkelijkheid. Het wordt uitgesproken. Gehoord. Onthouden. Opgeschreven. Vertaald. Geïnterpreteerd. Doorgegeven.

En verandert.

Woorden veranderen. Talen veranderen. Interpretaties veranderen. Tradities ontstaan. Groeien. Veranderen. Verdwijnen.

Geen enkel geschrift is blijvend. Geen enkele instelling onveranderlijk. Geen enkele vorm van overdracht onafhankelijk van oorzaken en voorwaarden.

Ook de Dhamma als onderricht draagt de kenmerken van het geconditioneerde. Vergankelijkheid (anicca; anitya). Onbevredigendheid (dukkha; duḥkha). Niet-zelf (anattā; anātman).

Maar hier is onderscheid nodig.

De Dhamma is méér dan haar verwoording. Meer dan haar overdracht. Meer dan de vormen waarin zij verschijnt.

In de Dhammapada (Verzen 277–279) maakt de Boeddha een fundamenteel onderscheid. Hij zegt:

❛ Alle geconditioneerde verschijnselen zijn vergankelijk (sabbe saṅkhārā aniccā).

Alle geconditioneerde verschijnselen zijn onbevredigend (sabbe saṅkhārā dukkhā).

Alle dhamma’s zijn niet-zelf (sabbe dhammā anattā).❜

Niet toevallig spreekt de derde uitspraak over alle dhamma’s. Niet uitsluitend over geconditioneerde verschijnselen.

Want nibbāna, het ongeconditioneerde (asaṅkhata), is niet onderworpen aan ontstaan en vergaan. Maar ook nibbāna kan niet terecht worden opgevat als een zelf. Als ‘ik’. Als ‘mij’. Als ‘mijn’.

Dit onderscheid behoedt ons voor een misverstand.

Wanneer we zeggen dat de Dhamma vergankelijk is, bedoelen we haar geconditioneerde verschijningsvormen. Niet dat nibbānaontstaat en verdwijnt. Niet dat de mogelijkheid van bevrijding afhankelijk is van het voortbestaan van een geschrift. Een taal. Een traditie.

De Boeddha ontdekte de Dhamma niet door haar uit te vinden. Hij doorgrondde de wetmatigheid van afhankelijk ontstaan (paṭicca samuppāda). De samenhang van oorzaken en voorwaarden.

Die wetmatigheid wordt niet door een religieuze instelling geschapen. Niet door een tekst in stand gehouden. Niet door een gemeenschap tot bestaan gebracht. Maar de woorden waarmee zij wordt beschreven, zijn geconditioneerd.

En precies daar ontstaat een gevaar.

We kunnen gehecht raken aan de formulering. Aan de overlevering. Aan de traditie. Aan de methode. Aan de overtuiging dat onze interpretatie de juiste is.

Wat bedoeld was om gehechtheid te beëindigen, wordt dan zelf een voorwerp van gehechtheid. We verdedigen woorden. Beschermen opvattingen. Bewaken grenzen. Identificeren ons met een school. Een stroming. Een leraar. En vergeten waarvoor de Dhamma werd onderwezen: de bevrijding uit dukkha.

De Boeddha vergeleek zijn onderricht in de Alagaddūpama Sutta met een vlot. Een middel om over te steken. Niet om eraan vast te blijven houden.

Een vlot is samengesteld. Afhankelijk van materialen. Van arbeid. Van omstandigheden. Het kan beschadigd raken. Vergaan.

Maar het kan ons naar de Andere Oever brengen.

Zo ook het onderricht.

Zijn geconditioneerde aard maakt het niet waardeloos. Integendeel. Juist binnen de geconditioneerde werkelijkheid kunnen voorwaarden worden geschapen voor inzicht. Voor het herkennen van begeerte. Afkeer. Onwetendheid. Voor het loslaten van gehechtheid.

De weg wordt beoefend binnen het geconditioneerde. Maar hij is gericht op het realiseren van het ongeconditioneerde. Daarom is het niet nodig de Dhamma tot iets eeuwigs te verheffen om haar waarde te erkennen. Evenmin is het nodig haar te verwerpen omdat haar verschijningsvormen vergankelijk zijn. Het volstaat haar functie te begrijpen. Niet als bezit. Niet als identiteit. Niet als onveranderlijk systeem. Maar als een weg naar bevrijding.

Ook onze kennis van de Dhamma is geconditioneerd. Ons begrip. Onze overtuigingen. Onze inzichten zolang zij afhankelijk ontstaan.

Daarom verdienen ook die onderzoek. Zijn we gehecht aan wat we weten? Aan wat we geloven? Aan wat we als waarheid beschouwen? Of gebruiken we het onderricht om precies die gehechtheid te doorzien?

De Dhamma vraagt niet dat we haar woorden voor eeuwig bewaren als een bezit. Ze vraagt dat we onderzoeken wat ze aanwijzen. Dat we zien hoe dukkha ontstaat. Hoe dukkha ophoudt. En hoe de weg naar die beëindiging wordt ontwikkeld.

Wanneer het onderricht zijn functie vervult, leidt het niet tot méér gehechtheid. Maar tot minder. Niet tot een sterkere identiteit. Maar tot het doorzien van identificatie. Niet tot het verzamelen van waarheden. Maar tot het beëindigen van onwetendheid.

Ook de Dhamma als onderricht is vergankelijk. Maar juist door haar te beoefenen, kan worden gerealiseerd wat niet ontstaat en niet vergaat. Nibbāna. De beëindiging van dukkha.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.