
Er zijn weinig werkelijk goede leraren in de wereld. Niet omdat de Dhamma ontoegankelijk is. Niet omdat de waarheid verborgen ligt. Maar omdat het gemakkelijker is de Dhamma te bestuderen dan haar werkelijk te doorgronden. Kennis verzamelen is één zaak. Zien wat werkelijk is, een andere. Men kan de woorden van de Boeddha kennen, de geschriften verklaren, jarenlang mediteren en toch gevangen blijven in begeerte, afkeer en begoocheling. Wie de Dhamma onderwijst, heeft haar daarom nog niet noodzakelijk gerealiseerd.
Waarom zijn werkelijk goede leraren zo moeilijk te vinden? Omdat onwetendheid (avijjā) diepgeworteld is. Omdat het verlangen iemand te zijn, iets te worden of iets te betekenen bijzonder subtiel kan zijn. Omdat erkenning, aanzien, macht en volgelingen aantrekkelijk zijn. Omdat gehechtheid aan methoden, rituelen, tradities en overtuigingen gemakkelijk wordt verward met inzicht. Omdat intellectuele kennis voor wijsheid wordt aangezien. En vooral omdat het ‘ik’ zich zelfs met de Dhamma kan identificeren. Zo wordt de leraar vlug iemand die ‘weet’. Iemand die iets ‘bereikt’ heeft. Iemand die anderen moet ‘leiden’. Zo wordt wat tot bevrijding zou moeten leiden, opnieuw een voedingsbodem voor gehechtheid en worden. (bhava).
Niet iedere ongeschikte leraar is oneerlijk. Velen zijn oprecht. Zij onderwijzen wat zij geleerd hebben. Zij herhalen wat hun eigen leraren hebben gezegd. Zij vertrouwen op ervaringen die zij als diepgaand beschouwen. Maar oprechtheid is geen garantie voor juist inzicht. Concentratie is niet noodzakelijk wijsheid. Een bijzondere meditatie-ervaring is geen bevrijding. Een vredige geest is nog geen geest die de drie karakteristieken van het bestaan — vergankelijkheid (anicca), onbevredigendheid (dukkha) en niet-zelf (anattā) — werkelijk doorgrond heeft. Het grootste gevaar ontstaat wanneer iemand niet beseft wat hij zelf nog niet ziet.
En toch zijn er mensen met weinig stof in hun ogen. Mensen die ontvankelijk zijn voor de Dhamma. Die bereid zijn hun overtuigingen te onderzoeken. Die niet op zoek zijn naar bevestiging, maar naar waarheid. In de Ariyapariyesanā Sutta, Majjhima Nikāya 26, wordt beschreven hoe de Boeddha aanvankelijk aarzelde om zijn inzicht te onderwijzen. Brahmā Sahampati wees hem erop dat er wezens waren met weinig stof in hun ogen. Wezens die de Dhamma zouden kunnen begrijpen. Ook vandaag kan ontvankelijkheid aanwezig zijn zonder dat de juiste begeleiding wordt gevonden. Wie een ongeschikte leraar ontmoet, kan jarenlang verdwalen in technieken, rituelen, verwachtingen en spirituele ambities. Niet omdat het vermogen tot inzicht ontbreekt, maar omdat de aandacht niet wordt gericht op wat werkelijk onderzocht moet worden.
Daarom benadrukte de Boeddha het belang van goede spirituele vriendschap (kalyāṇamittatā). In de Upaddha Sutta, Saṁyutta Nikāya 45.2, verklaart hij dat goede spirituele vriendschap niet de helft, maar het geheel van het heilige leven is. Een goede leraar hoeft niet volledig ontwaakt te zijn. Maar hij moet zijn beperkingen kennen. Eerlijk zijn over wat hij weet. En vooral over wat hij niet weet. Hij maakt zichzelf niet tot het middelpunt. Vraagt geen blind vertrouwen. Voedt geen afhankelijkheid. Presenteert zijn ervaringen niet als maatstaf voor de bevrijding van anderen. Hij moedigt onderzoek aan. Vooral van zijn eigen woorden. Zijn onderricht dient niet om leerlingen aan zich te binden, maar om hen te helpen zelfstandig te zien. Zo vlug mogelijk, zo duidelijk mogelijk.
Een goede leraar wijst naar het rechtstreeks waarneembare. Naar het ontstaan en vergaan van verschijnselen. Naar de onbevredigendheid van gehechtheid. Naar het ontbreken van een blijvend zelf. Hij helpt de leerling begeerte, afkeer en onwetendheid te herkennen. Niet als abstracte begrippen. Maar als processen die zich van moment tot moment voordoen. Zijn gezag berust niet op zijn positie. Niet op zijn kennis. Niet op het aantal volgelingen. Maar op de overeenstemming van zijn onderricht en gedrag met de Dhamma. Hij helpt de leerling steeds zelfstandiger te worden. Niet afhankelijker. Zijn doel is niet dat de leerling hem volgt. Maar dat de leerling leert zien.
Daarom is onderscheidingsvermogen onmisbaar. Niet iedere welsprekende leraar is een wijze. Niet iedere populaire methode leidt tot inzicht. Niet iedere spirituele ervaring betekent bevrijding. De beslissende vraag is niet wie de leraar is, maar waar zijn onderricht naartoe leidt. Naar meer gehechtheid of naar minder? Naar afhankelijkheid of naar zelfstandig onderzoek? Naar een versterking van het ‘ik’ of naar het doorzien ervan? De Dhamma is geen middel om iemand te worden. Zij wijst naar het beëindigen van onwetendheid en gehechtheid. Een ware leraar verlangt daarom geen volgelingen die in hem geloven. Hij wijst de weg naar een inzicht dat geen geloof in zijn persoon vereist.
Niet de leraar moet worden gezien. De werkelijkheid moet worden gezien. Zoals zij werkelijk is. Yathābhūta.
