GEEN GESLOTEN VUIST

De Dhamma kent geen geheime leer.

In de Mahāparinibbāna SuttaDīgha Nikāya 16, kort voor zijn dood, maakt de Boeddha dit bijzonder duidelijk. Hij zegt dat hij de Dhamma heeft onderwezen zonder onderscheid te maken tussen ‘binnen’ en ‘buiten’. Niets wezenlijks werd voorbehouden aan een kleine kring van ingewijden. De Tathāgata kent, zo zegt hij, niet de ‘gesloten vuist van een leraar’ die bepaalde kennis voor zijn leerlingen verborgen houdt.

Dat betekent niet dat de Dhamma oppervlakkig is. Integendeel. Er ligt een wereld van verschil tussen horen dat alle geconditioneerde verschijnselen vergankelijk zijn en die vergankelijkheid direct zien. Er ligt een wereld van verschil tussen begrijpen wat anattā betekent en werkelijk doorzien dat wat we als ‘ik’ en ‘mijn’ vastgrijpen niet terecht beschouwd kan worden als ‘dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf’. En er ligt een wereld van verschil tussen spreken over nibbāna en de beëindiging van dukkha zelf verwerkelijken.

Maar die diepgang maakt de Dhamma niet esoterisch. Er verschijnt onderweg geen geheime tweede leer die alleen voor gevorderden bestemd is. Wat verandert, is niet dat de Boeddha plotseling iets anders blijkt te hebben onderwezen. Wat verandert, is de diepte waarmee de beoefenaar ziet en doorgrondt wat hij heeft onderwezen.

Daarom vraagt de Dhamma niet om toegang tot verborgen kennis, maar om beoefening. Wat eerst gehoord wordt, kan onderzocht worden. Wat onderzocht wordt, kan direct gezien worden. Wat direct gezien wordt, kan worden doorgrond. En wat volledig wordt doorgrond, hoeft niet langer te worden vastgegrepen.

De Dhamma kan diep zijn. Radicaal. Zelfs moeilijk te doorgronden. Maar zij is niet geheim. De vuist is open.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.