VREES DE DOOD NIET

Mark Twain zei in zijn autobiografische overpeinzingen dat vernietiging hem geen angst inboezemde, omdat hij haar vóór zijn geboorte al honderd miljoen jaar had ‘meegemaakt’ zonder daaronder te lijden. In één uur van zijn leven, voegde hij eraan toe, had hij meer geleden dan in al die tijd vóór zijn geboorte. Het is een mooie, bijna bevrijdende gedachte. Alleen: het is niet de weg die de Boeddha wijst.

De Dhamma leert niet dat we vóór onze geboorte eenvoudigweg niet bestonden en dat na onze dood opnieuw niets volgt. De Boeddha vermijdt zowel het idee van een blijvend zelf dat van leven naar leven voortgaat als de opvatting dat een werkelijk bestaand zelf bij de dood eenvoudig wordt vernietigd. Hij wijst op afhankelijk ontstaan: wanneer de voorwaarden aanwezig zijn, ontstaat wat ermee samenhangt; wanneer de voorwaarden ophouden, houdt het daarmee samenhangende ontstaan op. Paṭicca-samuppāda (pratītya-samutpāda).

Daarom ligt het probleem van de dood voor de Boeddha niet in het feit dat dit lichaam zal sterven. Geboorte, ouderdom en dood maken deel uit van saṃsāra, het steeds opnieuw ontstaan van dukkha zolang de voorwaarden ervoor aanwezig blijven. De vraag is dan niet hoe we onszelf kunnen geruststellen met de gedachte dat er na de dood niets meer is. De vraag is waardoor geboorte en dood telkens opnieuw mogelijk worden en hoe dat proces tot beëindiging kan komen.

Maar er is nog iets veel fundamentelers. Waarom boezemt de dood ons zoveel angst in? Omdat we ons vastklampen aan wat we niet willen verliezen. Dit lichaam. Mijn leven. Mijn geliefden. Mijn herinneringen. Mijn plannen. Alles wat ik ben en alles wat ik nog hoop te worden. De dood confronteert ons met wat we gedurende ons leven liever niet onder ogen zien: niets geconditioneerds waaraan we ons vastklampen, kunnen we blijvend behouden.

Precies daarom hoeft de contemplatie van de dood binnen de Dhamma niet somber te zijn. Zij brengt ons terug naar wat er nu al gebeurt. Het lichaam verandert nu. Gevoelens ontstaan en vergaan nu. Waarnemingen, mentale formaties en bewustzijn ontstaan en vergaan nu. Wat wij ‘mijn leven’ noemen, ontsnapt nergens aan verandering en vergankelijkheid.

De dood maakt de dingen niet vergankelijk. Hij maakt alleen onontkoombaar zichtbaar wat ze altijd al waren.

Daarom ligt bevrijding niet in de zekerheid dat er na de dood niets meer komt. Ze ligt evenmin in de zekerheid dat ‘ik’ op een of andere manier zal blijven bestaan. Beide antwoorden vertrekken nog steeds vanuit dezelfde vraag: wat zal er met mijgebeuren?

De Dhamma draait de vraag om. Wat is datgene waaraan ik mij nu vastklamp als ‘ik’, ‘mij’ en ‘mijn’? Is het blijvend? Kan ik het behouden? Kan ik er werkelijk over beschikken? En wat gebeurt er wanneer dat vastgrijpen ophoudt?

Daar wordt de contemplatie van de dood een contemplatie van loslaten (vossagga). Niet later, op het ogenblik dat het lichaam sterft, maar nu. In dit moment. En van moment tot moment.

We hoeven niet te wachten op de dood om te ontdekken dat niets geconditioneerds waaraan we ons vastklampen blijvend kan worden behouden. We kunnen het nu zien. In het lichaam. In gevoelens. In waarnemingen, mentale formaties en bewustzijn. In alles wat ontstaat en weer vergaat.

Daar brengt de Dhamma ons telkens naar terug: aandachtig kijken naar ontstaan en vergaan, en leren loslaten wat we ten onrechte als ‘ik’, ‘mij’ en ‘mijn’ vastgrijpen.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.