BEVRIJDING IS GEEN ULTIEME WERKELIJKHEID

Bevrijding is niet het ontdekken van een verborgen, Ultieme Werkelijkheid achter de geconditioneerde verschijnselen. Niet het doordringen tot een andere dimensie achter de wereld van de verschijnselen. Niet het ontwaken tot een eeuwig Zelf, een zuiver Bewustzijn of een onveranderlijke grond die altijd al aanwezig was en slechts herkend moet worden. En evenmin is bevrijding het bereiken van een hogere, zuiverdere of ultieme vorm van ‘worden’ (P. bhava).

Zo beschrijft de Boeddha het einde van dukkha niet.

De Dhamma vraagt ons niet om achter de werkelijkheid die zich voordoet naar een andere werkelijkheid te zoeken. Hij vraagt ons te kijken naar wat hier en nu ontstaat. Naar de voorwaarden waardoor het ontstaat. Naar de manier waarop het verandert en verdwijnt. En vooral: naar het verlangen, het vastgrijpen en de identificatie waardoor het proces van dukkha telkens opnieuw wordt gevoed.

Daarom is bevrijding geen beweging naar iets wat dieper, hoger of meer werkelijk is. Het is het ophouden van de voorwaarden waardoor het worden (bhava) wordt gevoed. In paṭicca-samuppāda maakt de Boeddha die samenhang duidelijk: afhankelijk van verlangen (taṇhā)ontstaat vastgrijpen (upādāna); afhankelijk van vastgrijpen ontstaat worden (bhava). Waar verlangen en vastgrijpen ophouden, wordt ook het worden dat ervan afhankelijk is niet langer gevoed.

Bhava betekent hier niet eenvoudigweg verandering of het gewone ontstaan van verschijnselen. Het verwijst naar het geconditioneerde proces van worden dat binnen paṭicca-samuppāda tot geboorte en daarmee tot ouderdom, dood en de verdere ontvouwing van dukkha leidt. Juist daarom ligt bevrijding niet in het vervolmaken van dat worden. Ook niet in het worden van een beter, zuiverder of uiteindelijk bevrijd ‘ik’. Bevrijding ligt in het beëindigen van de voorwaarden waardoor dit proces blijft voortgaan.

Dat maakt de richting van de beoefening radicaal anders. Zolang bevrijding wordt voorgesteld als een toestand die ‘ik’ ooit zal bereiken, kan precies die voorstelling opnieuw voedsel worden voor verlangen, vastgrijpen en worden. Zelfs het verlangen naar bevrijding moet daarom helder gezien worden. Niet omdat elke intentie om het pad te ontwikkelen verkeerd zou zijn, maar omdat ook een heilzame gerichtheid kan worden toegeëigend als ‘mijn’ weg, ‘mijn’ ontwikkeling en ‘mijn’ toekomstige bevrijding.

De beoefening vraagt daarom niet om de constructie van een bevrijd zelf, maar om het steeds helderder zien van de processen waardoor het gevoel van ‘ik’, ‘mij’ en ‘mijn’ wordt opgebouwd en vastgehouden. Wat ontstaat, ontstaat afhankelijk van voorwaarden. Wat door voorwaarden gedragen wordt, verandert wanneer die voorwaarden veranderen. En wat niet langer gevoed wordt, houdt op.

Daar ligt de betekenis van nirodha: het ophouden, de beëindiging — hier in het bijzonder het ophouden van dukkha doordat de voorwaarden voor het ontstaan ervan ophouden. Niet de onthulling van iets eeuwigs achter het vergankelijke. Niet het vinden van een Werkelijkheid achter de werkelijkheid. Maar het beëindigen van het vastgrijpen waardoor dukkha en het proces van worden telkens opnieuw worden gevoed.

De Dhamma wijst daarom niet voorbij de geconditioneerde werkelijkheid naar een verborgen essentie. Hij leert ons de geconditioneerdheid zelf te doorzien. Om te zien: dit ontstaat wanneer de voorwaarden aanwezig zijn; dit houdt op wanneer de voorwaarden ophouden.

Bevrijding is dan geen laatste vorm van worden. Het is het einde van het worden dat door verlangen en vastgrijpen wordt gevoed.

Wat betekent bevrijding dan? De Boeddha spreekt over nibbāna: het uitdoven van begeerte, haat en begoocheling, het einde van dukkha. Hij duidt dit aan als het Ongeconditioneerde (asaṅkhata) en het Doodloze (amata). Niet als de openbaring van een verborgen, eeuwige Werkelijkheid achter de geconditioneerde verschijnselen, maar als het definitieve ophouden van datgene waardoor dukkha telkens opnieuw ontstaat en wordt voortgestuwd.

Het Ongeconditioneerde is daarom niet een andere werkelijkheid waarin ‘ik’ terechtkom. Het Doodloze is geen onsterfelijk ‘iets’ dat de dood overleeft. Beide aanduidingen wijzen naar nibbāna vanuit een verschillend perspectief: naar datgene wat niet door voorwaarden is voortgebracht en naar de beëindiging van het proces dat tot geboorte, ouderdom en dood leidt.

Paṭicca-samuppāda maakt die beweging zichtbaar. Wanneer taṇhā ophoudt, houdt upādāna op. Met het ophouden van upādāna houdt bhava op. Met het ophouden van bhava houdt nieuwe geboorte (jāti) op. En waar geen nieuwe geboorte meer ontstaat, volgen ook ouderdom en dood (jarāmaraṇa) niet meer. De keten wordt niet overstegen door een hogere bestaanswijze; zij houdt op doordat haar voorwaarden niet langer aanwezig zijn.

Bevrijding is daarom geen bestemming die bereikt moet worden, geen eeuwige Werkelijkheid die zich openbaart en geen ultieme vorm van worden. Zij is het einde van bhava dat door verlangen en vastgrijpen wordt gevoed, en daarmee het einde van dukkha.

Dát is waarom de Boeddha spreekt over het Ongeconditioneerde (asaṅkhata). Dát is waarom hij spreekt over het Doodloze (amata).

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.