HARMONIE IN DE SANGHA: EEN WEG NAAR BEVRIJDING

De Boeddha:

❛ Gelukkig is de harmonie in de Saṅgha. Gelukkig is het ondersteunen van hen die in harmonie leven. Wie zich verheugt in harmonie en gevestigd is in de Dhamma, verliest de zekerheid van bevrijding niet. ❜ (Saṅghasāmaggi Sutta, Itivuttaka 19)

Harmonie in de Saṅgha is van fundamenteel belang. De nadruk van onze beoefening hoeft niet te liggen op de meest ingenieuze individuele gedachte, de meest nauwgezet geformuleerde doctrine of de mooist versierde tempel. Geen van deze zaken, hoe indrukwekkend ook, kan de levende ervaring van de Dhamma vervangen.

Ontwaken blijft het uiteindelijke doel van het pad. Maar paradoxaal genoeg kan ontwaken niet worden afgedwongen door het verlangen het te bereiken. Het stofvrije, onbezoedelde zien van de Dhamma (1) kan ontstaan in een ogenblik van diepgaande helderheid, maar een dergelijk inzicht ontstaat niet zonder oorzaken en voorwaarden. Wat plotseling lijkt, wordt gedragen door een geleidelijk proces van cultivering, onderzoek en loslaten.

De nadruk ligt daarom op de weg zelf: op het ontwikkelen van de oorzaken (hetu’s) en voorwaarden (paccaya’s) die bevrijdend inzicht mogelijk maken. En waar kunnen deze kwaliteiten op een natuurlijker wijze worden ondersteund dan in een Saṅgha waarvan de leden elkaar aanmoedigen in wijsheid, ethisch handelen en mededogend begrip?

De Saṅgha is niet louter een organisatie of een bijeenkomst van gelijkgestemden. Op haar best vormt zij een levend oefenveld, waar verschillen kansen worden om geduld te ontwikkelen, meningsverschillen uitnodigen tot zorgvuldig onderzoek en wederzijdse ondersteuning het voornemen versterkt om de dingen te zien zoals ze werkelijk zijn. Harmonie vereist niet dat iedereen hetzelfde denkt. Ze vraagt de bereidheid om te luisteren, te begrijpen en de gehechtheid aan het eigen gelijk los te laten.

Laat de vier goddelijke verblijfplaatsen (brahmavihārā’s) je handelen binnen de Saṅgha leiden: liefdevolle vriendelijkheid (mettā), mededogen (karuṇā), medevreugde (muditā) en gelijkmoedigheid (upekkhā). Deze kwaliteiten maken van onze relaties gelegenheden tot beoefening. Ze verzachten de neiging tot egocentrisme en scheppen de innerlijke ruimte waarin begrip zich kan verdiepen.

Laat deze vier verheven kwaliteiten je toevlucht worden in het dagelijkse leven. Je klooster. Je verblijfplaats. Je vihāra. Niet als een bouwwerk van steen of eigen meningen, maar als een levenswijze die geworteld is in vriendelijkheid, mededogen, vreugde en evenwicht. Zo wordt harmonie meer dan vreedzaam samenleven. Ze wordt een uitdrukking van de Dhamma zelf.

Toch mag harmonie nooit een voorwendsel worden om de waarheid uit de weg te gaan. Werkelijke harmonie groeit uit wijsheid, niet uit conformisme. Ze stelt de beoefenaar in staat gehechtheid, afkeer en onwetendheid te herkennen, waar deze zich ook voordoen, zelfs binnen de gemeenschap zelf. Deze processen helder zien, zonder zich ermee te identificeren, maakt deel uit van de weg naar bevrijding uit dukkha.

Verheug je daarom in de harmonie van de Saṅgha. Draag ertoe bij door je woorden, je handelingen en je intenties. Laat harmonie het helder zien ondersteunen en laat het helder zien de harmonie verdiepen.

Wees gevestigd in de Dhamma.

__________

(1) Dhammacakkappavattana Sutta, Saṃyutta Nikāya 56.11. De uitdrukking verwijst naar het ontstaan van het onbezoedelde zien van de Dhamma bij Koṇḍañña, die inzag dat alles wat onderhevig is aan ontstaan, ook onderhevig is aan vergaan.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.