Mindfulness is populair geworden. In de gezondheidszorg. In het onderwijs. In bedrijven. In de geestelijke begeleiding. Mensen leren bewuster leven. Hun gedachten observeren. Hun emoties erkennen. Aandachtiger aanwezig zijn in het moment. Zonder onmiddellijk te oordelen. Dat is waardevol. Maar aandacht is nog geen inzicht.
Wie aandachtig ademt, ziet niet noodzakelijk de werkelijkheid zoals ze is. Wie zijn gedachten observeert, doorziet niet vanzelf hun geconditioneerde aard. Wie rust vindt in meditatie, heeft daarmee de oorzaken van dukkha nog niet beëindigd.
Hier ligt een wezenlijk onderscheid tussen geseculariseerde mindfulness en de Dhamma van de Boeddha.
In de oorspronkelijke leer staat sati, opmerkzaamheid, nooit op zichzelf. Zij maakt deel uit van het Edele Achtvoudige Pad. Verbonden met juist inzicht, ethisch handelen en de beëindiging van dukkha. Niet uitsluitend om rustiger te worden. Niet alleen om beter met moeilijkheden om te gaan. Maar om de werkelijkheid te zien zoals ze werkelijk is (yathābhūta).
Dat betekent rechtstreeks inzicht ontwikkelen in anicca, vergankelijkheid; dukkha, onbevredigendheid; en anattā, niet-zelf. Zien hoe verschijnselen afhankelijk ontstaan en vergaan. Hoe verlangen en gehechtheid zich vormen. Hoe het idee van ‘ik’, ‘mij’ en ‘mijn’ telkens opnieuw wordt opgebouwd. Ook bewustzijn is geconditioneerd. Ook bewustzijn is geen blijvende, onafhankelijke waarnemer.
Geseculariseerde mindfulness hoeft daarom niet te worden afgewezen. Zij kan helpen om aandachtiger, evenwichtiger en met meer mededogen te leven. Maar een methode die het leven draaglijker maakt, is niet noodzakelijk een weg die leidt naar de beëindiging van dukkha.
De beslissende vraag is dan ook niet alleen: ben ik aandachtig aanwezig? Maar vooral: wat zie ik werkelijk? Doorzie ik hoe dukkha ontstaat? En onder welke voorwaarden het ophoudt?
Aandacht kan de deur openen. Maar het is het zien dat bevrijdt.
